Antipathie en karma (2 van 4) – De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken

In het volgende leven komt dan uit die haatgevoelens terug: het bedroevende gedrag van de omringende wereld, de onlust die daarvan het gevolg is, dus het tegendeel van vreugde. U zult zeggen: ‘We beleven zo veel verdriet, zou dat nu alles afkomstig zijn van grotere of minder grote haat uit een vorig leven? Ik kan me niet voorstellen, dat ik zo’n slecht mens ben geweest, dat ik zo veel gevoelens van onlust moet hebben, omdat ik zo veel gehaat heb.’ Zoiets kan men stellig zeggen. Als men op dit gebied onbevangen denken wil, moet men zich duidelijk voor ogen houden, hoe groot de illusie is, die men graag heeft en waar men zich ook snel aan overgeeft door zich wijs te maken, dat men geen antipathie voor andere mensen voelt. De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken of tenminste met veel meer antipathie. Het is nu eenmaal zo dat men zich van die haat niet bewust is, omdat hij een zekere bevrediging geeft; die bevrediging bedekt de haat. Pas als het leed van buitenaf op ons toekomt, wordt het als leed ervaren.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 73)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68-69) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 –

Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplaatst op 30 juli 2014

Bedroevende onlogica

De helderziende (Duits: Okkultist) voelt onlust bij het onlogische, vreugde en innerlijke rust bij het logische. […] In het bijzonder bij het lezen van kranten voelt de geestesonderzoeker een diepe droefenis, want juist in de dagbladen vindt men dikwijls de onlogica in persona. Toch moet men – selectief – de krant lezen om met de wereld in contact te blijven. Men moet het niet zo doen als die professor in de Chinese taal, die op een dag zeer opgewonden tegen zijn collega’s zei: Zonet hoor ik – het was in de jaren 1870-1871 – dat Duitsland sinds een half jaar in oorlog met Frankrijk is, ik lees immers alleen de Chinese kranten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – München, 18 november 1911 (bladzijde 147-148)

Eerder geplaatst op 6 juli 2014

Antipathie en karma (2) – De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken

In het volgende leven komt dan uit die haatgevoelens terug: het bedroevende gedrag van de omringende wereld, de onlust die daarvan het gevolg is, dus het tegendeel van vreugde. U zult zeggen: ‘We beleven zo veel verdriet, zou dat nu alles afkomstig zijn van grotere of minder grote haat uit een vorig leven? Ik kan me niet voorstellen, dat ik zo’n slecht mens ben geweest, dat ik zo veel gevoelens van onlust moet hebben, omdat ik zo veel gehaat heb.’ Zoiets kan men stellig zeggen. Als men op dit gebied onbevangen denken wil, moet men zich duidelijk voor ogen houden, hoe groot de illusie is, die men graag heeft en waar men zich ook snel aan overgeeft door zich wijs te maken, dat men geen antipathie voor andere mensen voelt. De mensen gaan met veel meer haat door de wereld dan ze denken of tenminste met veel meer antipathie. Het is nu eenmaal zo dat men zich van die haat niet bewust is, omdat hij een zekere bevrediging geeft; die bevrediging bedekt de haat. Pas als het leed van buitenaf op ons toekomt, wordt het als leed ervaren.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 73)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68-69) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 – Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplaatst op 23 mei 2012

De zes basisoefeningen – 3. Gelatenheid

Wat betreft de gevoelswereld moet de ziel het bij de geestesscholing tot een zekere gelatenheid brengen. Daartoe is het nodig, dat de ziel heerseres zal worden over de uitingen van lust en leed, vreugde en smart. Juist ten aanzien van het verwerven van deze eigenschap kan menig vooroordeel opkomen. Men zou kunnen menen, dat men bot en onverschillig jegens zijn medemensen zou worden, wanneer men ‘zich niet zou verheugen over het heuglijke, geen smart zou ondervinden bij het smartelijke’. Maar daar gaat het hier niet tom. Iets heugelijks moet de ziel verheugen, iets treurigs moet haar smartelijk aandoen. Zij moet er slechts toe komen, om de uitingen van vreugde en smart, van lust en onlust te beheersen. Als men dit nastreeft, zal men weldra bemerken, dat men niet botter, maar integendeel ontvankelijker wordt voor al het verheugende en ook smartelijke van zijn omgeving, dan men het vroeger was. Ongetwijfeld vereist het een nauwkeurig achtslaan op zichzelf, gedurende langere tijd, indien men zich de eigenschap wil verwerven, waar het hier om gaat. Men moet er op toezien, dat men lust en leed ten volle kan medeleven, zonder zichzelf daarbij zo te verliezen, dat men aan datgene wat men ervaart, op onwillekeurige wijze uitdrukking geeft. Niet de gerechtvaardigde smart moet men onderdrukken, maar het onwillekeurige schreien; niet de afschuw voor een slechte daad, maar het blinde woeden van de toorn; niet het letten op een gevaar, maar het vruchteloze ‘bang zijn’ enz. – Alleen door een zodanige oefening komt de leerling er toe, die gemoedsrust te hebben, die noodzakelijk is, opdat de ziel bij het geboren worden en vooral bij de werkzaamheid van het hogere Ik niet als een soort dubbelganger naast dat hogere Ik een tweede ongezond leven leidt. Juist bij deze dingen moet men zich hoeden voor zelfbedrog. Het kan menigeen toeschijnen, dat hij in het gewone leven reeds een zekere gelijkmoedigheid bezit en dat hij daarom deze oefening niet nodig zou hebben. Juist zo iemand heeft haar dubbel nodig. Men kan namelijk heel goed gelaten zijn, zolang men tegenover de dingen van het gewone leven staat; en dan kan zich des te meer bij het opstijgen in een hogere wereld de onevenwichtigheid doen gelden, die slechts teruggedrongen was. Men moet beslist leren inzien, dat het er bij de geestesscholing minder om gaat, wat men tevoren schijnt te bezitten, dan veeleer om het heel stelselmatig beoefenen van wat men nodig heeft. Hoe tegenstrijdig deze stelling ook aandoet: toch is zij juist. Al heeft het leven bij iemand ook dit of dat aangekweekt: voor de geestesscholing zijn die eigenschappen dienstig, welke men zich door eigen werkzaamheid heeft verworven. Als het leven iemand tot prikkelbaarheid heeft gebracht, dan zou hij zich die prikkelbaarheid moeten afwennen; als het leven echter iemand tot gelijkmoedigheid heeft gebracht, dan zou hij zich door zelfopvoeding zo moeten activeren, dat de uitingen van de ziel overeenkomen met de ontvangen indruk. Wie nergens om kan lachen, beheerst zijn leven evenmin als hij, die zonder zich te beheersen, voortdurend tot lachen wordt geprikkeld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS – bladzijde 332-334

Deze vertaling is van F. Wilmar uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave – bladzijde 202-203

Wat de een zelfkastijding noemt, dat is voor de ander een groot plezier

Als iemand, die er een groot genoegen aan beleeft om elke avond naar het café chantant te gaan of zijn acht glazen bier te drinken, mensen ziet die in geestelijke beschouwingen vreugde vinden, dan zegt hij: Ze kastijden zichzelf. – Nee, kastijden zouden deze mensen zich als ze bij hem gingen zitten. Wie aan het café chantant en dergelijke plezier beleeft, die hoort daar, en het zou verkeerd zijn hem die vreugde te ontnemen. Gezond zou het alleen zijn als hij de zin daaraan verliest. Men moet eraan werken om de genietingen, de bevredigingen te zuiveren. Niet omdat het hun een ongenoegen is, voegen de antroposofen zich bij elkaar om over hogere werelden te spreken, maar omdat het hun de hoogste lust is. Voor hen zou het een vreselijke ontzegging zijn om te gaan zitten kaart spelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – München 5 december 1907 (bladzijde 219-220)