Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken.

En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn, 6 september 1903 (bladzijde 26)

Eerder geplaatst op 17 december 2014

Ik waag het werkelijk niet  te beweren dat alle antroposofen voor het leven geschikte mensen zijn

Wat nu juist de levensader van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap is, dat wordt zeer weinig opgemerkt. En het zal pas dan echt gemerkt worden, als men door deze geesteswetenschap een zodanige denk- en gevoels- en wilsscholing kan doormaken, dat het iemand voor het leven niet ongeschikter, maar geschikter maakt. Ik wil zeker niet beweren, dat tegenwoordig allen die antroposofie tot hun overtuiging (Duits: Glaubensbekenntnis) gemaakt hebben, levensbekwame mensen zijn. Een overtuiging betekent in dit opzicht niet veel. Ik waag het werkelijk niet  te beweren dat alle antroposofen voor het leven geschikte mensen zijn. Maar ziet u,wat er in de antroposofische beweging en de vereniging tot uiting komt, dat is vaak wat er van buitenaf ingebracht wordt. Wat er van binnenuit ingebracht wordt, is tegenwoordig nog echt maar weinig.

En pas dan zal de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap voor de wereld kunnen zijn wat ze moet zijn als niet alleen mystieke neigingen, gebrek aan realisme, vals idealisme, geroddel (Duits: Tantentum) enzovoort binnengebracht worden, maar wanneer binnengebracht wordt wat in de antroposofische geesteswetenschap te halen is: een aansporing van het zielenleven die in de ledematen overgaat, die de hele mens beïnvloedt – niet enkel  een geloofsovertuiging – en die de mensen daardoor in de aangelegenheden van de wereld kunnen doen ingrijpen. Dat is het waar het hoofdzakelijk om gaat.

Bron: Rudolf Steiner – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach, 7 februari 1920 (bladzijde 179)

Geest en Praktijk (3 van 4)

Ik heb in voorgaande jaren vaak en zeer scherp op deze dingen gewezen en heb verteld, dat er werkelijk in de loop der jaren menig mens naar mij toe is gekomen die zei: ‘Ach, ik heb zo’n prozaïsch beroep, ik zou graag dit prozaïsche beroep opgeven en me aan idealere dingen wijden.’ Dat is de slechtste stelregel die men in het leven kan hebben kan.

Wie door zijn lot, door zijn karma postbeambte is en een deugdelijke postbeambte is, die dient – zo zei ik vaak – zeker, als hij zijn beroep behoorlijk uitvoert, de wereld meer dan wanneer hij een slechte dichter is of zelfs een slechte journalist of een dergelijk beroep dat iemand menigmaal wenst. Het gaat erom dat wanneer iemand het geestelijke benadert, dit geestelijke zo in zijn gemoed opneemt dat het iemand niet ongeschikt, maar geschikt maakt voor het uiterlijke leven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach, 7 februari 1920 (bladzijde 168)

Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld, dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken. En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen, dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn, 6 september 1903 (bladzijde 26)

Eerder geplaatst op 1 december 2012

Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld, dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken. En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen, dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn 6 september 1903 (bladzijde 26)