Hindernissen voor de goede bedoelingen van de gestorvenen

De wetten van de spirituele wereld, die men met een helderziende blik waarneemt, zijn werkelijk absoluut geldig. Ze zijn zo onvoorwaardelijk geldig, zoals een geval ons leert dat vaak is waargenomen. Het was leerzaam om te zien hoe haatgedachten of in ieder geval gedachten van antipathie werken, zelfs als ze niet met volledig bewustzijn worden gedacht!

Men kan onderwijzers zien die gewoonlijk streng worden genoemd, die bij hun nog jonge leerlingen niet geliefd waren – al waren het dan nog maar onschuldige gedachten van antipathie en haat. Wanneer zo’n leraar sterft, dan ziet men hoe hij ook in deze gedachten, die immers blijven, obstakels heeft voor zijn goede bedoelingen in de geestelijke wereld.

Als de leraar sterft, geeft het kind, de jonge mens, zichzelf vaak geen rekenschap van het feit dat hij niet langer zou moeten haten, maar hij behoudt dat op een natuurlijke wijze door het blijvende gevoel hoe de leraar hem kwelde. Door zulke inzichten leert men veel over de onderlinge relatie tussen levenden en doden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 333 -334)

debff4148ec03cc469474cd799654593

Over examens voor leraar/onderwijzer

Men examineert tegenwoordig degenen die leraar willen worden erop of ze dit of dat weten. Maar wat stelt men daardoor vast? In de regel toch alleen maar dat de persoon in kwestie een keer in de tijd voordat hij het examen afleggen moet iets in zijn hoofd gehamsterd heeft, wat hij, als hij enigszins geschikt is, voor ieder afzonderlijk lesuur ook uit zo en zo veel boeken zou kunnen lezen, wat men zich dag voor dag voor het onderwijs eigen zou kunnen maken, waarvoor het helemaal niet noodzakelijk is het op deze manier te verwerven, zoals het tegenwoordig wordt gedaan. 

Wat echter vóór alles bij een dergelijk examen nodig zou zijn, is dat men te weten zou moeten komen of de betrokken persoon hart en gevoel heeft, of hij er aanleg voor heeft (Duits: ob er das Blut dafür hat), geleidelijk een goede verhouding tussen zichzelf en de kinderen tot stand te brengen. Niet de kennis zou men door het examen moeten onderzoeken, maar men zou moeten nagaan hoe sterk en hoe veel de persoon mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 26 maart 1918 (bladzijde 136)

Eerder geplaatst op 30 september 2016  (2 reacties)

Opvoeding/Zelfopvoeding

In feite is er op geen enkele trap een andere opvoeding dan zelfopvoeding. […] Iedere opvoeding is zelfopvoeding. En we zijn eigenlijk als onderwijzer en opvoeder alleen de omgeving van het zichzelf opvoedende kind. Wij moeten slechts voor de meest gunstige omgeving zorgen, zodat het kind zich aan ons zo opvoedt, zoals het zich door zijn innerlijk lot ontwikkelen moet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 20 april 1923 (bladzijde 131)

Eerder geplaatst op 14 augustus 2014

De leerling is soms wijzer dan de onderwijzer

Men heeft als onderwijzer de meest verschillende individualiteiten voor zich, en men moet niet met het gevoel in de klas staan: Zoals jij bent, zo moeten allen worden, die jij onderwijst of opvoedt. Dit gevoel mag men geheel niet hebben. Waarom niet? Nu, er zouden, als het geluk met ons is, onder de scholieren die men voor zich heeft, naast heel dommen, drie of vier kinderen met een geniale aanleg kunnen zijn. En u zult mij toch echt wel toegeven, dat men niet enkel genieën tot leraar maken kan en dat het zelfs niet zelden zal voorkomen, dat de leraar niet de genialiteit heeft, die eens degenen zullen hebben, die misschien door hem opgevoed en onderricht moeten worden. Maar de leraar moet niet alleen degenen die zo kunnen worden als hij, maar hij moet ook degenen opvoeden en onderwijzen, die met hun aanleg ver boven hem zouden kunnen uitgroeien. Dat zal men echter alleen kunnen, als men zich als leraar geheel en al afwent om de leerling te willen maken tot wat men zelf is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 20 april 1923 (bladzijde 130-131)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2014

Over examens voor leraar/onderwijzer  

Men examineert tegenwoordig degenen die leraar willen worden erop of ze dit of dat weten. Maar wat stelt men daardoor vast? In de regel toch enkel dat de persoon in kwestie een keer in de tijd voordat hij het examen afleggen moet iets in zijn hoofd gehamsterd heeft, wat hij, als hij enigszins geschikt is, voor ieder afzonderlijk lesuur ook uit zo en zo veel boeken zou kunnen lezen, wat men zich dag voor dag voor het onderwijs eigen zou kunnen maken, waarvoor het helemaal niet noodzakelijk is het op deze manier te verwerven, zoals het tegenwoordig wordt gedaan. Wat echter vóór alles bij een dergelijk examen nodig zou zijn, is dat men te weten zou moeten komen of de betrokken persoon hart en gevoel heeft, of hij er aanleg voor heeft (Duits: ob er das Blut dafür hat), geleidelijk een goede verhouding van zichzelf met de kinderen tot stand te brengen. Niet de kennis zou men door het examen moeten onderzoeken, maar men zou moeten nagaan hoe sterk en hoe veel de persoon mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 26 maart 1918 (bladzijde 136)