Schilderij / Geesteswetenschap

Om een schilderij te maken moet men een schilder zijn. Maar om de schoonheid en de innerlijke waarde van het geschilderde te beleven, behoeft men geen schilder te zijn. Daarvoor behoeft men zich slechts toe te vertrouwen aan zijn onbevangenheid en onbedorven mensennatuur.

Zo is het in feite ook met de geesteswetenschap. Om ze zelf in ideeën te ‘schilderen’, moet men geesteswetenschappelijk onderzoeker zijn. Indien ze echter wordt weergegeven zoals dat gebeurt in de hierover gehouden voordrachten en in onze literatuur, dan staat ze voor ons zoals het schilderij voor de toeschouwer, die zelf geen schilder is. De mens hoeft niets anders te doen dan zich toe te vertrouwen aan zijn onbevangen en onbedorven zin voor de werkelijkheid om een gezondmakende indruk te krijgen van de schildering van de geestelijke wereld!

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 46)

Vertaling door M. Macintosh, overgenomen uit Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 44) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1979

Eerder geplaatst op 5 januari 2018

504x840

Destijds scheen de publicatie van dit boek mij een waagstuk

Destijds (1909) scheen de publicatie van dit boek (Die Geheimwissenschaft im Umriss) mij een waagstuk. Want ik wist immers, dat juist diegenen de vereiste onbevangenheid niet kunnen opbrengen, die de natuurwetenschap als beroep uitoefenen, en evenmin al die talrijke personen, die in hun oordeel van hen afhankelijk zijn.

Maar voor mijn ziel stond juist dit feit, dat in de tijd, waarin zich het bewustzijn van de mensheid het verst van de wereld van de Geest had verwijderd, de mededelingen uit deze wereld van de Geest in de hoogste mate dringend noodzakelijk waren.

Ik rekende erop, dat er ook mensen bestaan, die de verwijdering van al het geestelijke zo zeer als een levensbelemmering gevoelen, dat zij met een innerlijk verlangen naar mededelingen uit de wereld van de Geest grijpen.

En de volgende jaren hebben dat wel ten volle bevestigd. De ‘Theosophie’ en de ‘Geheimwissenschaft’ hebben als boeken, die bij de lezer een goede wil vooropstellen om op een moeilijke stilering in te gaan, een grote verbreiding gevonden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS – VORREDE ZUR SECHZEHNTEN BIS ZWANZIGSTEN AUFLAGE – Goetheanum, 10 januari 1925 (bladzijde 28)

Deze vertaling is van F. Wilmar

Eerder geplaatst op 14 december 2017 (7 reacties)

525x840-1

Enkele opmerkingen over de zes basisoefeningen

De zogenaamde basisoefeningen (ook wel genoemd nevenoefeningen of vooroefeningen) komt men in de boeken en voordrachten van Steiner meermaals tegen. Deze zes oefeningen zullen de meeste lezers van deze website wel bekend zijn. Voor alle duidelijkheid geef ik nog even de links naar de zes blogs, waarin de oefeningen staan, zoals Steiner ze heeft beschreven in zijn Magnum Opus Die Geheimwissenschaft im Umriss. (Vertaling F. Wilmar)

   1. Gedachtenbeheersing

   2. Wilskracht

  1. Gelatenheid 
  1. Positiviteit 
  1. Onbevangenheid 
  1. Harmonie  

In GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden, Band I – komen de basisoefeningen ook verscheidene keren ter sprake. Hierbij maakt Steiner nog een paar opmerkingen die mij vrij onbekend waren en die mij wel van belang lijken.

Het komt vóór alles erop aan dat men de oefeningen precies in deze volgorde doet. Wie de tweede oefening voor de eerste doet, heeft er geen profijt van. Want juist op deze volgorde komt het aan. (bladzijde 234)

Is men klaar met de zes maanden, dan begint men weer van voren af aan. (bladzijde 239)

Terwijl deze zes oefeningen niet aan een bepaald uur van de dag zijn gebonden, alleen dagelijks, zoals beschreven, moeten worden gedaan, moet de meditatie altijd op dezelfde tijd gedaan worden. (bladzijde 240)

Ik heb altijd gedacht dat die oefeningen elke dag op ongeveer dezelfde tijd zouden moeten worden gedaan, maar dat geldt dus blijkbaar alleen voor de meditatie-oefeningen, maar niet voor de basisoefeningen. 

Eerder geplaatst op 26 juni 2015

Ontvankelijkheid voor antroposofie beperkt

Als men een openbare voordracht houdt over geesteswetenschap of antroposofie, dan is men genoodzaakt zeer goed rekening te houden met de ontvankelijkheid van onze tegenwoordige wereld, zeer duidelijk eraan te denken dat deze ontvankelijkheid beperkt is. Men moet helder inzien dat in onze tijd weliswaar vanuit de geestelijke werelden inzichten binnenstromen, welke voor de mensheid noodzakelijk zijn, maar dat zij tegenwoordig in zeer geringe mate onbevangen kunnen worden opgenomen. De meeste mensen die zich niet goed op een dergelijk opnemen hebben voorbereid, zouden de diepergaande kennis van onze geesteswetenschap toch nog als een schok ervaren, als iets dat er als fantasterij of als een droom uitziet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Mission der neuen Geistesoffenbarung – München, 25 februari 1911 (bladzijde 86)

Eerder geplaatst op 23 mei 2015  (2 reacties)

De zes basisoefeningen – 5. Onbevangenheid  

Het denken verbonden met de wil bereikt een zekere mate van rijpheid, als men tracht, zich nimmer door iets wat men heeft beleefd of ondervonden, de onbevangen ontvankelijkheid voor nieuwe belevingen te laten ontnemen. De gedachte: ‘dat heb ik nog nooit gehoord; dat geloof ik niet’, moet voor de leerling der geestesscholing zijn betekenis verliezen. Hij moet gedurende zekere tijd er juist overal op uit zijn, om bij iedere gelegenheid door elk ding of wezen zich iets nieuws te laten zeggen. Van ieder zuchtje wind, van ieder boomblad, van ieder brabbelen van een kind kan men iets leren, mits men bereid is om van een gezichtspunt uit te gaan, waarvan men tot dusverre niet is uitgegaan. 

Het zal zeer zeker licht kunnen gebeuren, wat betreft dit vermogen te ver te gaan. Men moet, om een voorbeeld te nemen, niet op een bepaalde leeftijd de ervaringen buiten beschouwing laten, die men over de dingen heeft opgedaan. Men moet, wat men in het heden beleeft, beoordelen aan de hand van zijn ervaringen in het verleden. Dat komt op de ene weegschaal; op de andere moet echter voor de leerling de geneigdheid komen, steeds iets nieuws te willen ervaren; en in de eerste plaats het geloof aan de mogelijkheid, dat nieuwe belevingen in tegenspraak kunnen zijn met oude.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS – bladzijde 335

Deze vertaling is van F. Wilmar uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave – bladzijde 204

Eerder geplaatst op 13 mei 2013 (1 reactie)