Herinneringen verdwijnen, de vruchten blijven als vermogens en bekwaamheden

De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven als men deze ervaringen niet zou hebben gehad en als haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm v.an bekwaamheden. 

En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbij gaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest en de geest onttrekt er datgene aan wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van hetgeen beleefd wordt.

Al kan men dus de ervaringen uit het verleden in de geest niet, gelijk in een schatkamer, terugvinden, men bespeurt hun uitwerking in de vermogens welke een mens zich heeft eigen gemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 30-31)

Uit de vijfde druk van THEOSOFIE (blz. 64-65). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

Onwaarschijnlijk, verward, fantastisch

Degenen die veel en al sinds jaren in deze kring werken, of in een andere soortgelijke kring actief zijn, die zullen terugdenken aan de tijd dat ze om zo te zeggen voor de eerste keer iets gehoord hebben van wat de antroposofische geesteswetenschap de mensheid te zeggen heeft, en u zult zich herinneren dat veel van wat u toen als eerste mededelingen gehoord heeft, niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs verward, fantastisch – zo niet misschien nog veel ergers daarvan gezegd zou moeten worden – heeft geleken. Maar in de loop van de tijd hebben degenen die nader tot de antroposofische wereldbeschouwing kwamen, zich aan een zekere gevoels- en denkwereld gewend, die het mogelijk maakt om dingen die uit de hogere werelden worden meegedeeld, te aanvaarden zoals mededelingen van feiten, die op het fysieke vlak, in de aardse wereld voorvallen, worden aanvaard. Datgene wat men bewijzen voor de geesteswetenschappelijke mededelingen zou kunnen noemen, is geheel en al niet in de richting te zoeken, zoals bewijzen voor de erkende, wetenschappelijke waarheden. Met een dergelijke bewijsvoering zou men niet veel kunnen beginnen. De bewijsvoering die blijkt voor degene die zich inleeft in de antroposofische wereldbeschouwing, ligt in de zeer intieme omvorming die het zielenleven ervaart. En lang voordat de mens het geluk kan hebben om door toepassing van de geesteswetenschappelijke of occulte methoden door te dringen tot aanschouwing van de geestelijke werelden, vormt zich in hem een voorgevoel, een vermoeden van de juistheid, van de diepe gegrondheid van wat meegedeeld wordt over deze hogere werelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragen durch Anthroposophie – Wenen, 21 november 1908 (bladzijde 13-14)

Eerder geplaatst op 4 december 2013