Ziektes die op latere leeftijd optreden zijn veelal slechts het gevolg van opvoedingsfouten in de allervroegste kinderleeftijd 

Ziektes die op latere leeftijd optreden, zijn veelal slechts het gevolg van opvoedingsfouten die in de allervroegste kinderleeftijd zijn gemaakt. Daarom moet het opvoeden dat echt op menskundig inzicht is gebaseerd, naar de gehele mens kijken, van de geboorte tot aan de dood. Het wezenlijke van antroposofische kennis is dat je naar de hele mens kijkt. Dan kom je er ook achter dat er een veel nauwere samenhang bestaat tussen het kind en zijn omgeving. De ziel van het kind treedt nog naar buiten in de omgeving, beleeft de omgeving innig mee, en wel in een veel sterkere verbinding dan op latere leeftijd.

Bron:Rudolf Steiner – GA 310 – Der  pädagogische  Wert der  Menschenerkenntnis  und  der Kulturwert  der  Pädagogik – Arnhem, 19 juli 1924 (bladzijde 50)

Overgenomen van de website van Pieter Witvliet VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

bebc469f6d7760e85e92ba11c651867e

Eerder geplaatst op 5 september 2020  (9 reacties)

De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Alles wat je doet in de omgeving van het kind, verandert in het kinderlijke organisme in lichaam, ziel en geest. De gezondheid voor heel zijn leven hangt ervan af hoe jij je in de omgeving van een kind gedraagt. De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Al die dingen die gewoonlijk voor de kleuterklassen aanbevolen worden, je moet dit of dat met de kinderen doen, deugen van geen kant. Meestal ziet het er wel pienter uit, wat men zo te berde brengt als kleuteronderwijs. Je moet je, als ik het zo zeggen mag, wel opgetogen uitspreken over de slimheid van wat er in de loop van de negentiende eeuw voor de kleuterschool uitgedacht is. De kinderen leren er al zo veel, ze leren al bijna lezen. Ze krijgen letters die ze in uitgesneden lettervormen moeten leggen en dergelijke dingen.

Het ziet er allemaal zeer pienter uit en je kunt makkelijk geneigd zijn te geloven, dat dat iets goeds is voor kinderen. Maar het is niets waard. In werkelijkheid deugt het helemaal niet. De hele kinderziel wordt er door beschadigd. Tot in het lichamelijke toe, tot in zijn gezondheid raakt het kind beschadigd. Zulke kleuterwerkjes veroorzaken in het latere leven van het kind zwakte in lichaam en ziel.

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Die  Kunst  des  Erziehens aus  dem  Erfassen der  Menschenwesenheit – Torquay, 13 augustus 1924 (bladzijde 26)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor meer van zijn vertaling van GA 311 zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

51GmFafEfsL._SX355_BO1,204,203,200_

Eerder geplaatst op 27 augustus 2020

Geestelijke ontwikkeling en omgeving

Wie oefeningen verricht in een omgeving, vervuld van louter zelfzuchtige belangen, b.v. van de moderne strijd om het bestaan, zij zich bewust dat deze niet zonder invloed blijft op de vorming van zijn zielsorganen. Wel hebben de innerlijke wetten, die deze organen beheersen, voldoende kracht om die invloed niet al te schadelijk te doen zijn. Evenmin als een lelie in een voor haar ongeschikte omgeving ooit een distel kan worden, kan het waarnemingsorgaan der ziel, zelfs onder de invloed van de zelfzuchtige belangen der moderne stad, zich tot niets anders vormen dan tot datgene waartoe het bestemd is. 

Maar het is goed dat de leerling, hoe het ook zij, van tijd tot tijd de vredige natuur met haar stille waardigheid en bekoring tot zijn omgeving verkiest. Bijzonder bevoorrecht is de mens, die zijn geestesscholing geheel en al in bos en veld, in de groene plantenwereld kan doorleven of te midden van zonnige bergen, in lieflijke, landelijke eenvoud. Dit doet de innerlijke organen ontluiken op een wijze, zo harmonisch als in een moderne stad nimmer te verwezenlijken is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE  ERLANGT  MAN  ERKENNTNISSE DER  HÖHEREN  WELTEN? (blz. 99-100)

Deze vertaling is uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave van dit boek. Het is later in een meer eigentijdse vertaling verschenen met de titel: De weg tot inzicht in hogere werelden.

9789082999815_front

Of we hier spirituele begrippen opnemen of niet, dat bepaalt onze omgeving aan gene zijde

Wanneer de mens bij de huidige ontwikkelingsomstandigheden door de poort van de dood gaat, neemt hij de bewustzijnstoestand mee die hij zelf tussen geboorte en dood heeft geschapen. De mens die bij de tegenwoordige omstandigheden zich geheel en al alleen met ideeën en begrippen en gevoelens over de materiële, zintuiglijke wereld heeft beziggehouden, die veroordeelt zich bij de tegenwoordige omstandigheden ertoe dat hij na de dood alleen in een omgeving leeft, die op de gedurende het fysiek-zintuiglijke leven gevormde (Duits:ausgeprägte) begrippen betrekking hebben. 

Terwijl degene die spirituele gedachten opneemt, rechtmatig de geestelijke wereld ingaat, moet degene die het afwijst om spirituele gedachten op te nemen, in zekere in de aardse situatie blijven, tot hij – en dat duurt een lange tijd – geleerd heeft, daar zo veel geestelijke begrippen op te nemen, dat hij door deze in de geestelijke wereld gedragen kan worden. Dus, of we hier spirituele begrippen opnemen of niet, dat bepaalt onze omgeving daar. Velen van degenen, die – men kan het enkel met compassie zeggen – zich verzet hebben of verhinderd waren, spirituele begrippen hier in het leven op te nemen, die wandelen ook nog na de dood op aarde rond, blijven met de aardesfeer in verbinding.

Bron: Rudolf Steiner – GA 178 – Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen – Dornach, 18 november 1917 (bladzijde 176)

Steiner1922

Eerder geplaatst op 17 maart 2017  (2 reacties)

Waartoe al dit gedenk over het hogere leven?

Waarom onderzoeken naar wat boven de dood uitgaat? Waarom toch dit verkennen van het eeuwige in de mensenziel? Als de dood komt, zal ik wel zien, hoe het is, ik kan dat rustig afwachten. – Niets is onjuister dan dit. Geestelijk onderzoek laat zien, als zij de zielen aantreft, die na de dood de onafhankelijkheid van het lichaam bereikt hebben, dat deze zielen in een zodanige omgeving leven als zij zichzelf deze omgeving tussen geboorte en dood voorbereid hebben. Hier in de fysiek-zintuiglijke wereld leven we in een zintuiglijke wereld. Deze zintuiglijke omgeving komt ons nader (Duits: tritt an uns heran). Na de dood leven we als ziel in datgene, wat we ons tussen geboorte en dood tot bewustzijn gebracht hebben over het geestelijke. En wat er niet voor ons was tussen de geboorte en de dood, is voor ons geen buitenwereld na de dood. Onze innerlijke wereld – dat is een grote wet van de geestelijke kennis -, voor zover we ze als geestelijke wereld bewust ingezien hebben, erkend hebben niet door bovenzinnelijke waarneming, maar doordat we met het gezonde mensenverstand erkend hebben, wat de bovenzinnelijke waarneming brengt, dat wordt onze buitenwereld. En alleen dat hebben we als buitenwereld na de dood, wat we als binnenwereld hebben gehad tussen geboorte en dood. 

Maken we ons tussen geboorte en dood alleen gedachten eigen die met de uiterlijke, zintuiglijke wereld samenhangen, of gedachten die alleen aan het materiële hangen, dan moet onze omgeving na de dood gebouwd (Duits: gezimmert) zijn van zulke gedachten. Omdat ik graag wil aantonen dat geesteswetenschap tot concrete, tot werkelijke resultaten komt, zal ik er niet voor terugschrikken om uit te spreken wat tegenwoordig nog zo belachelijk gevonden wordt door zeer velen, zoals de copernicaanse wereldbeschouwing belachelijk werd gevonden toen deze opkwam; maar de dingen moeten uitgesproken worden. Als we ons tussen geboorte en dood niets anders verwerven dan gedachten die alleen op de zintuiglijke wereld betrokken zijn, die aan het leven in de uiterlijke wereld ontleend zijn, dan is dat onze innerlijke wereld tijdens het fysieke leven en dat zal onze buitenwereld zijn na onze dood. En het gevolg daarvan is, dat de zielen die geen moeite gedaan hebben zich bewust te worden dat achter de fysieke wereld de spirituele wereld is, na de dood zo lang gebannen zijn in de in de aards-zintuiglijke sfeer, tot zij na de dood – waar het veel moeilijker is – zich vrijgemaakt hebben van het geloof dat er geen geest is, van de gewoonte niet naar het spirituele te kijken. Een geestelijke omgeving van een andere soort te hebben, dan het de aards-materiële is, kan alleen verworven worden doordat wij door de dood gaan met gedachten, die zich ervan bewust zijn dat er een geestelijke wereld bestaat. Daarom zullen zielen die zich dit bewustzijn niet verwerven, na de dood in de aardse sfeer vastgehouden worden. Ze kunnen daar gevonden worden door degenen die zich door geestelijk onderzoek de weg daarheen gebaand hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 72 – Freiheit/Unsterblichkeit/Soziales Leben – Bern, 28 november 1917 (bladzijde 212-214)

Eerder geplaatst op 10 november 2016