Geesteswetenschap/Kennis/Zelfopvoeding

Geesteswetenschap betekent niet slechts het zich eigen maken van kennis, geesteswetenschap betekent een opvoeding in de meest eminente zin, een zelfopvoeding van onze ziel. We maken onszelf tot wat anders, de interesses veranderen, de opmerkzaamheden die de mens voor het een of ander ontwikkelt na enige jaren, als hij zich verdiept heeft in de geesteswetenschap, worden anders. Wat hem vroeger geïnteresseerd heeft, interesseert hem niet meer; wat hem vroeger niet geïnteresseerd heeft, begint hem in de hoogste mate te interesseren. 

Men kan niet zeggen: Iemand krijgt pas een verhouding tot de geestelijke wereld, als hij een occulte ontwikkeling heeft doorgemaakt. – Het esoterische begint niet pas met de occulte ontwikkeling. In de momenten waar we ons met de een of andere geesteswetenschappelijke vereniging verbinden en met ons gehele hart erbij zijn en voelen, wat in de leringen van de geesteswetenschap ligt, dan al begint het esoterische, dan begint onze ziel zich te veranderen, dan begint iets soortgelijks, als ongeveer zou gebeuren met een wezen dat voordien alleen licht en donker had gezien en dat dan door een speciale andere organisatie de ogen zouden beginnen kleuren te zien: de hele wereld zou er anders uitzien voor een dergelijk wezen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 136 – Die geistigen Wesenheiten in den Himmelskörpern und Naturreichen – Helsinki, 3 april 1912 (bladzijde 19)

Eerder geplaatst op 26 mei 2015  (1 reactie)

Niet enkel wat ogen zien en handen pakken kunnen is werkelijkheid

Het komt er op aan de geest te vinden binnen de werkelijkheid, welke de mensen omringt. Niet de werkelijkheid is geestloos, maar de mens die de geest niet vinden kan. Zoals men de elektriciteit, het licht en andere natuurkrachten niet buiten de wereld zoekt, net zomin doet men dit bij de ware antroposofische gezindheid met de geestelijke krachten. Goed begrepen is antroposofie de erkenning van zulke spirituele krachten en wetten binnen de wereld. Niet enkel wat ogen zien en handen pakken kunnen is een kracht in de wereld, maar ook wat slechts voor de ogen van de ziel toegankelijk is en wat geen instrument, wel echter de macht van de geest kan beheersen en in werkelijkheid kan omzetten, als deze daar kennis van heeft.

De techniek is erop gebaseerd dat de mens de zintuiglijk waarneembare krachten aan zijn inzicht onderwerpt; en de antroposofie kan tot een geestelijke techniek leiden die de hogere krachten in dienst van de mensheid stelt. Vanuit dit gezichtspunt zal de antroposofische gezindheid niet tot wereldvreemdheid, maar tot een actieve rol in het leven, ja tot de edelste, begripvolste praktijk leiden. Want haar toneel is niet een werkplaats waar materiële producten worden geleverd, maar het leven zelf zoals het zich tussen mens en mens afspeelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 170)

Eerder geplaatst op 15 februari 2016

Waarneming en wereld

De beleving van de wereld om ons heen hangt af van welke vermogens en organen we hebben om ze waar te nemen. Zouden we andere organen hebben, dan zou ook de wereld geheel anders voor ons zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waarmee hij, laten we zeggen, de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou u deze ruimte niet als helder, van licht doorstroomd waarnemen. Wel echter zou u in de draden die in deze ruimte liggen de elektriciteit heen en weer zien stromen; dan zou u het overal trillen, flitsen en stromen zien. Zo is dus wat we onze wereld noemen afhankelijk van onze waarnemingsorganen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 18 september 2016

Dit vermogen wil men zich niet verwerven

Waarde toehoorders! Voor de wetenschap is alleen datgene van belang dat je met ogen kunt zien en met je handen kunt aanpakken. Er is een bijzonder vermogen nodig om ook dat te onderzoeken wat niét met ogen gezien of met handen gepakt kan worden, en dat vermogen wil men zich niet verwerven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 349 – Vom Leben des Menschen und der Erde Über das Wesen des Christentums – Dornach, 4 april 1923 (bladzijde 123)

Ook te vinden in: Het leven van mens en aarde (bladzijde 128) – Vertaling C.H. Bos-Everts

Eerder geplaatst op 12 juni 2016

Zonder kennis van de mens zal er nooit een sociale samenleving komen (1 van 2)

Als u bestudeert wat in mijn GeheimWissenschaft im Umriß staat, dan moet u bepaalde begrippen ontwikkelen, waarvan de meeste mensen nog steeds zeggen: Dat is pure dwaasheid. – Ik heb pas een paar dagen geleden weer een brief gekregen, waarin iemand de GeheimWissenschaft doorneemt en van bijna elk hoofdstuk zegt dat het je reinste waanzin is. Men kan het begrijpen dat de mensen zeggen dat het pure waanzin is. Waarom? Het is heel natuurlijk dat de mensen dat tegenwoordig vaak zeggen.

Maar de mensen die zich er niet toe bekwamen om zulke begrippen op te nemen, die zich er dus niet mee bezighouden ideeën te ontwikkelen van een wereld die niet met de zintuigen bevat kan worden, deze mensen verwerven zich ook geen kennis van de mens; deze mensen gaan aan de wereld voorbij, merken hoogstens dat de een min of meer een spitse neus, de ander een meer stompe neus heeft, dat de een blauwe ogen, de ander bruine ogen heeft; maar ze merken niets van wat in het innerlijk van de mens zich manifesteert als ziel en het lichaam organiseert (Duits: durchorganisiert). Dezelfde kracht die ons vaardig maakt om interesse te hebben, ik zeg nu niet: bovenzinnelijke occulte krachten te hebben, maar die ons vaardig maakt om interesse te hebben voor bovenzinnelijke inzichten, die is het die ons kennis van de mens oplevert, zoals we ze tegenwoordig nodig hebben.

U kunt de meest grandioze sociale programma’s opstellen, u kunt de mooiste sociale ideeën ontwikkelen: Als de mensen erbij blijven staan om geen kennis van de mens te ontwikkelen, zodat ze tegenover elkaar staan zonder zich innerlijk te kennen, kunnen ze geen sociale omstandigheden voortbrengen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 191 – Soziales Verständnis aus geisteswissenschaftlicher Erkenntnis – Dornach, 4 oktober 1919 (bladzijde 45)