Bewustzijn na de dood

Met de dood treedt niet een tekort aan bewustzijn in, integendeel. Een teveel, een overvloed van bewustzijn is er na het overlijden. Men leeft en weeft geheel in bewustzijn, en zoals het sterke zonlicht de ogen bedwelmt, zo is men aanvankelijk door het bewustzijn bedwelmd, men heeft teveel bewustzijn. Dit bewustzijn moet eerst verzwakt (Duits: herabgedämmert) worden, zodat men zich oriënteren kan in het leven dat men na de dood is ingegaan.

Dat duurt lange tijd, het gebeurt geleidelijk aan op zodanige wijze dat na de dood steeds meer momenten komen, waarin het bewustzijn een dergelijke oriëntering mogelijk maakt; dat de ziel voor een min of meer korte tijd tot zichzelf komt en dan weer in een soort slaapachtige toestand verzinkt, zoals men het zou kunnen noemen. Dan worden langzamerhand zulke momenten steeds langer, de ziel komt meer en meer in dergelijke omstandigheden, tot er een volledig oriënteren in de geestelijke wereld is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das Geheimnis des Todes – Hannover, 19 februari 1915 (bladzijde 35)

Eerder geplaatst op 4 februari 2018

Dit vermogen wil men zich niet verwerven

Waarde toehoorders! Voor de wetenschap is alleen datgene van belang dat je met ogen kunt zien en met je handen kunt aanpakken. Er is een bijzonder vermogen nodig om ook dat te onderzoeken wat niét met ogen gezien of met handen gepakt kan worden, en dat vermogen wil men zich niet verwerven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 349 – Vom Leben des Menschen und der Erde Über das Wesen des Christentums – Dornach, 4 april 1923 (bladzijde 123)

Ook te vinden in: Het leven van mens en aarde (bladzijde 128) – Vertaling C.H. Bos-Everts

aps,504x498,small,transparent-pad,600x600,f8f8f8.u1

Eerder geplaatst op 10 juni 2017  (1 reactie)

De overledenen zijn niet opgehouden er te zijn, slechts onze ogen zijn opgehouden ze te zien  

Er is niets belangrijker voor het leven, ook zelfs voor het materiële leven, als grondige (Duits: durchgreifende) overtuigingen van het samenzijn met het geestelijke te kunnen hebben. Zouden de mensen de laatste tijd niet de samenhang met de geestelijke wereld zo zeer verloren hebben, dan zouden de zware tijden van tegenwoordig niet gekomen zijn. Deze diepere samenhang zien maar heel weinig mensen tegenwoordig in; in de toekomst zal het wel ingezien worden. 

Tegenwoordig gelooft men: Als de mens door de poort van de dood gegaan is, houdt zijn activiteit met betrekking tot de fysieke wereld op. Nee, die houdt niet op. Een voortdurend levendig verkeer vindt plaats tussen de zogenaamde doden en de zogenaamde levenden. En we kunnen zeggen: Degenen die door de poort van de dood zijn gegaan, ze zijn niet opgehouden er te zijn, slechts onze ogen zijn opgehouden ze te zien; maar ze zijn er. Onze gedachten, onze gevoelens, onze wilsimpulsen, ze staan met hen in verbinding. Want juist ook voor de doden geldt het Evangeliewoord: ‘Zoek ze niet in uiterlijke gebaren, het rijk van de geest is midden onder u.’

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Neurenberg, 10 februari 1918 (bladzijde 56-57)

Eerder geplaatst op 22 september 2016 (1 reactie)

Automatisch

De mens doet in het gewone leven vele verrichtingen die voor zijn geest onbewust blijven. Hij zal bijvoorbeeld zijn ogen sluiten als er een vlieg mee in aanraking komt. Zou dit proces van het ogen sluiten eerst uitgedacht moeten worden, dan zou er niet veel van terecht komen. Deze activiteit en nog vele andere zijn pas door talloze vergissingen geleerd. Zo hebben ook de hoogste wezens hun grootheid alleen daardoor verkregen dat ze op alle trappen van hun ontwikkeling aan fouten waren blootgesteld en pas langzamerhand het overeenkomende vermogen verkregen, zodat fouten niet meer mogelijk waren, omdat het geleerde nu automatisch geworden was. 

Zo moeten we ook leren veel dingen automatisch te doen, waartoe we nu nog veel denkkracht gebruiken moeten. Doordat ons gewone Ik zich verheft en het hogere Ik geboren wordt, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat tegelijkertijd het denken zo logisch en wetmatig verloopt dat fouten uitblijven, anders komt er een moment dat het Ik het lagere denken aan zichzelf overlaat, waardoor een grote verwarring in de lagere natuur ontstaat. Wie gelooft dat het denken iets ondergeschiktst is, waarvoor men zich niet hoeft in te spannen, die is niet geschikt voor het esoterische leven. Juist hierop komt het het meeste aan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Kassel, 27 juni 1909 (bladzijde 492)

Eerder geplaatst op 23 juli 2015

Blind na de dood – 2 (slot)

Wie beweert dat de gewone kennis door het gezonde mensenverstand hem niet het oog geeft voor het bovenzinnelijke bestaan, dat hij daarvoor helderziendheid nodig heeft – helderziendheid heeft men nodig om de dingen te onderzoeken, maar men heeft het niet nodig om zich het vermogen tot het zien in de bovenzinnelijke wereld na de dood te verwerven -, wie dat beweert, die kan dan net zo goed ook beweren dat men niet zou kunnen denken als de ogen niet denken. Net zomin als de ogen hier in het fysieke leven hoeven te denken, net zomin behoeft de kennis van de bovenzinnelijke werelden, voor wat ik nu aangegeven heb, de helderziendheid te hebben. 

Er zou natuurlijk op aarde geen bovenzinnelijke kennis zijn, als er niet helderziendheid zou zijn, maar zelfs de helderziende moet in gewone begrippen omzetten, wat hij in het bovenzinnelijke schouwt. Al zou een mens hier op aarde nog zo helderziend zijn, al zou hij nog zo duidelijk in de geestelijke wereld kunnen zien – als hij te gemakzuchtig zou zijn om wat hij ziet in de geestelijke wereld in ordelijke, logisch bevattelijke begrippen om te zetten, dan zou hij toch na de dood in de geestelijke wereld verblind zijn. 

Dat is de grote smart voor wie in de initiatiewetenschap van de huidige tijd ziet, dat hij moet zeggen: Het materialisme maakt de mensen blind, als ze door de poort van de dood gaan. – En hier hebben we weer iets waaraan men ziet dat het voor de realiteit, voor het gehele bestaan van belang is, of de mens tegenwoordig geneigd is naar bovenzinnelijke kennis of niet. De tijd waarop hij dat zou moeten doen is nu gekomen. Het ligt in de vooruitgang van de mensheid om in deze tijd naar bovenzinnelijk weten op te stijgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 71-72)

Eerder geplaatst op 2 juli 2015  (16 reacties)