Voorbereiding/Oefening/Zelfopvoeding

In de fysiek-zintuiglijke wereld dient ons wat we doen in denken, voelen en willen om direct iets te weten over de fysieke wereld, of om iets te doen voor de fysieke wereld; voor de hogere werelden dient ons alles, wat ons rechtstreeks voor de fysieke wereld dient, alleen als voorbereiding. Wat we met betrekking tot de fysieke wereld kunnen denken, zelfs als we nog zo scherpzinnig denken, geeft ons geen kennis over de hogere werelden. Echter wordt onze ziel zelf als het ware door het denken zo voorbereid, zo opgevoed, dat ze geleidelijk in staat is om op de juiste wijze in de geestelijke wereld door te dringen.

Wat we kunnen willen en voelen voor de fysieke wereld is alleen van toepassing op de zelfopvoeding van de ziel, als voorbereiding voor het intreden van de ziel in de geestelijke werelden. Dus ik zou willen zeggen, om mij duidelijk uit te drukken: Een geleerde onderzoeker ervaart door zijn wetenschappelijke methode iets voor de uiterlijke wereld, en hij is gewend om, als hij het heeft onderzocht, te zeggen: Ik weet dit of dat van de uiterlijke wereld.

Maar deze soort van onderzoeken, van denken helpt hem echter helemaal niet om in de geestelijke wereld te komen; maar hoe hij denkt en onderzoekt, dat heeft betekenis als oefening van de zielekrachten. Hoe de ziel door denken en onderzoeken meer bekwaam wordt om in zichzelf te leven, om haar kracht in activiteit te brengen, alleen dat is effectief voor het ingaan in de hogere werelden. Alleen als cultuur van de eigen ziel zijn voor de geestesonderzoeker de activiteiten bruikbaar, die men anders in de fysieke wereld gewoonlijk uitvoert.

Bron: Rudolf Steiner – GA 156 – Okkultes Lesen und okkultes Hören – Dornach, 3 oktober 1914 (bladzijde 18-19)

Eerder geplaatst op 4 maart 2018

M03727415614-large

Staan op één been

Het is geen onzin dat bepaalde ziekten gewoon beter genezen als de patiënt met zijn bed in oost-westrichting wordt gelegd. Dit is geen bijgeloof, het is iets waar iedereen zichzelf empirisch van kan overtuigen als hij dat wil. Maar dit zou geen aanbeveling moeten zijn dat iedereen nu zijn bed op de een of andere manier zou moeten neerzetten! Ik heb zoveel gezien in deze richting dat het nodig is dat ik zulke dingen blijf toevoegen. Voor wat kan worden beleefd, wat dit betreft, zouden talloze voorbeelden kunnen worden gegeven. 

Het is bijvoorbeeld een keer gebeurd – het was nog in Berlijn – toen een antroposofieles eindigde, en ik zei dat het wel een zekere waarde heeft als men niet eerst moet gaan zitten om laarzen aan te trekken als het regent, maar dat men het ook staand zou kunnen doen, waarbij men dan korte tijd op één been moet staan. Ik zei dat een mens ook op één been moet kunnen staan. Sommige antroposofen vatten dit zo op, dat de Antroposofische Vereniging haar leden als esoterische oefening gaf om middernacht een tijdje op één been te staan. [….] 

Er zijn talloze van dergelijke berichten, die dan weer in een of ander krantenartikel verschijnen door goedwillende of kwaadwillende mensen, meestal kwaadwillende. Nu, zoals ik al zei, ik wil er beslist niet op wijzen dat iedereen nu zijn bed op een bepaalde manier moet neerzetten. Maar het moet worden erkend dat dergelijke verschijnselen, waarvan er vele zijn, aantonen dat de mens ook vandaag nog in het onderbewuste van zijn wezen relaties heeft met de ruimtelijke differentiaties die buiten hem zijn en waarin hij is geplaatst.

Bron: Rudolf Steiner – GA 201 -Entsprechungen  zwischen Mikrokosmos  und  Makrokosmos – Dornach, 17 april 1920 (blz. 75-76)

56d37e7d3b8daef3b119fd474742afe0

Oefening om het juiste idee op het juiste moment te krijgen

Een oefening voor diegenen,die zich op het juiste ogenblik niet het juiste kunnen te binnen brengen. Deze mensen moeten er voor alles naar streven om niet steeds hun gedachten de vrije loop te laten en daarmee op te gaan in het alledaagse leven.- Wanneer eens een half uurtje rust genomen kan worden, geeft men meestal zijn gedachten vrij spel; en dan spinnen deze eindeloos van het een naar het ander. Of, als we misschien een bepaalde zorg hebben – vlug schiet deze in het bewustzijn en laat ons niet meer los. Geeft men zich daar zo aan over, dan zal men nooit op het juiste ogenblik de juiste inval kunnen krijgen. Wil men bereiken, dat men die wel krijgt, dan moet men als volgt te werk gaan. Men zegt tegen zichzelf: ‘elke keer wanneer ik een beetje tijd heb om over iets na te denken, wil ik daarvoor zelf iets uitkiezen, wil ik door eigen willekeur mij iets voor de geest roepen: vandaag b.v. iets, dat ik vroeger beleefd heb op een wandeling een paar jaar geleden en ik wil mij in het toen beleefde – al is het maar vijf minuten – bewust terugdenken. Weg met al het andere in die vijf minuten. Zelf kies ik waarover ik wil nadenken.’ 

De keuze hoeft niet eens zo moeilijk te zijn als in dit voorbeeld. het komt er helemaal niet op aan meteen moeilijke opgaven aan zijn denkproces te stellen, het belangrijkste is, dat men zich losmaakt van alles, waardoor men in het leven vastgezogen wordt: men moet iets kiezen, dat valt buiten alles waarin wij door de dagelijkse sleur ingesponnen worden. En wanneer men lijdt aan gebrek aan invallen, wanneer men helemaal niets anders bedenken kan, dan kan men zich behelpen door een boek op te slaan en te gaan nadenken over het eerste het beste waar de blik op valt. Of wel men zegt tot zichzelf: ‘vandaag zal ik eens nadenken over iets, wat ik vanmorgen zag toen ik naar mijn werk ging en waaraan ik anders zeker geen aandacht meer besteed zou hebben.’ Het moet bepaald iets zijn dat buiten de sleur van het dagelijks leven valt, waarover men anders niet verder nagedacht zou hebben.

Zulke oefeningen moeten systematisch telkens en telkens weer gedaan worden, dan zal als resultaat  optreden, dat wij te rechter tijd invallen krijgen, dat ons op het juiste ogenblik invalt, wat ons invallen moet. Ons denken zal daardoor beweeglijk worden en dat is van bijzonder veel belang voor de mens in het praktische leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 – Die  Beantwortung von  Welt- und  Lebensfragen durch  Anthroposophie – Karlsruhe, 18 Januar 1909 (blz. 266-267)

Rudolf Steiner – De praktische ontwikkeling van het denken – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 

Vertaling P. Henny-van Suchtelen

737x1200

Amerikanen/Zelfopvoeding

In feite zien we in veel van wat de Amerikanen hebben ontwikkeld het primitieve begin van de soort oefeningen waardoor men tot helderziend waarnemen (Duits: geistigen Schau) nader komt. Zo vindt men steeds weer door de Amerikanen aangeprezen dat zelfbeheersing, zelfdiscipline, zelfopvoeding hetgeen is waar het op aankomt; dat het niet erop aankomt iets geleerd te hebben, maar op iets in de wil planten door steeds weer opnieuw herhalen van dezelfde oefening. Men weet wat voor belang het heeft om de voorstellingen te herhalen, ritmisch te herhalen, hoe dit werken op het eigenlijke centrum van de mens in de wil ingrijpt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 83 – Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit – Wenen, 10 juni 1922 (bladzijde 273)

Eerder geplaatst op 27 december 2013

Voorbereiding/Oefening/Zelfopvoeding

In de fysiek-zintuiglijke wereld dient ons wat we doen in denken, voelen en willen om direct iets te weten over de fysieke wereld, of om iets te doen voor de fysieke wereld; voor de hogere werelden dient ons alles, wat ons rechtstreeks voor de fysieke wereld dient, alleen als voorbereiding. Wat we met betrekking tot de fysieke wereld kunnen denken, zelfs als we nog zo scherpzinnig denken, geeft ons geen kennis over de hogere werelden. Echter wordt onze ziel zelf als het ware door het denken zo voorbereid, zo opgevoed, dat ze geleidelijk in staat is om op de juiste wijze in de geestelijke wereld door te dringen.

Wat we kunnen willen en voelen voor de fysieke wereld is alleen van toepassing op de zelfopvoeding van de ziel, als voorbereiding voor het intreden van de ziel in de geestelijke werelden. Dus ik zou willen zeggen, om mij duidelijk uit te drukken: Een geleerde onderzoeker ervaart door zijn wetenschappelijke methode iets voor de uiterlijke wereld, en hij is gewend om, als hij het heeft onderzocht, te zeggen: Ik weet dit of dat van de uiterlijke wereld.

Maar deze soort van onderzoeken, van denken helpt hem echter helemaal niet om in de geestelijke wereld te komen; maar hoe hij denkt en onderzoekt, dat heeft betekenis als oefening van de zielekrachten. Hoe de ziel door denken en onderzoeken meer bekwaam wordt om in zichzelf te leven, om haar kracht in activiteit te brengen, alleen dat is effectief voor het ingaan in de hogere werelden. Alleen als cultuur van de eigen ziel zijn voor de geestesonderzoeker de activiteiten bruikbaar, die men anders in de fysieke wereld gewoonlijk uitvoert.

Bron: Rudolf Steiner – GA 156 – Okkultes Lesen und okkultes Hören – Dornach, 3 oktober 1914 (bladzijde 18-19)