Vriendschappen in het Devachan

Het is niet juist als in theosofische boeken wordt gezegd dat de mens in het Devachan slaapt, en het is ook niet juist dat hij alleen met zichzelf bezig is of dat de relaties die op aarde zijn geweven niet voortgezet worden; integendeel, een echte vriendschap gebaseerd op een geestelijke verbondenheid gaat daar met grotere intensiteit door.

De intimiteit van vriendschap voedt de geestelijke gemeenschap in het Devachan en verrijkt haar met nieuwe vormen. Dit is wat de ziel in het Devachan voeding geeft. Ook de verhouding van de mens tot de natuur, een nobel, esthetisch genot van de natuur, is voeding voor het leven van de ziel in het Devachan. Daar leeft de mens van, zoals ik al zei.

De vriendschapsrelaties zijn als het ware de optooiingen (Einrichtungsstücke) waarmee hij zich omringt. De fysieke omstandigheden op aarde dwarsbomen deze relaties vaak genoeg. In Devachan wordt de manier waarop twee vrienden samen zijn alleen bepaald door de intensiteit van de vriendschap. Dus zulke verhoudingen op aarde scheppen, betekent ervaringen verschaffen voor het leven in het Devachan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor  dem  Tore  der  Theosophie – Stuttgart, 25 augustus 1906 (blz. 45-46)

Dag-van-de-vriendschap

Alleen het juiste denken is vruchtbaar (1 van 2) – Het zijn de mensen zelf die de huidige nood hebben doen ontstaan

Wanneer wij de zich over de hele wereld uitspreidende wereldeconomie in ogenschouw nemen – en dat moet tegenwoordig ook gebeuren – dan kunnen wij zeggen dat de natuur ons in deze tijd niet minder geeft dan in andere tijden, wanneer wij de vruchten van de natuur op de juiste wijze onder de mensen kunnen brengen – als mensheid als geheel natuurlijk. Dat mensen nu in nood verkeren, meer dan voorheen, is niet het gevolg van fysieke oorzaken maar is bewerkt door de menselijke geest. Als het zo is dat de mens tegenwoordig in nood verkeert, dan is deze nood het gevolg van een verkeerd geestesleven, van een verkeerd denken. 

Daarom is het enig mogelijke, dat het juiste denken op de plaats van het foute denken wordt gezet om uit deze noodsituatie te komen. Niet door de natuur, ook niet door onbekende machten is de mens in de huidige situatie beland; het zijn de mensen zelf die de huidige nood hebben doen ontstaan. Wanneer er een noodsituatie is, zijn het de mensen die deze situatie hebben laten ontstaan; wanneer mensen niets te eten hebben, zijn het de mensen die niet voor eten hebben gezorgd. 

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 338 – Wie wirkt man für den Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus? – Stuttgart, 12 februari 1921 (bladzijde 21-22)

Deze vertaling is van John Hogervorst, overgenomen uit zijn Driegonaal Nieuwsbrief Juli 2017

Eerder geplaatst op 21 juli 2017   (4 reacties)

025392c8939a3e9920dbd8e4351cdb5d

Geestelijke ontwikkeling en omgeving

Wie oefeningen verricht in een omgeving, vervuld van louter zelfzuchtige belangen, b.v. van de moderne strijd om het bestaan, zij zich bewust dat deze niet zonder invloed blijft op de vorming van zijn zielsorganen. Wel hebben de innerlijke wetten, die deze organen beheersen, voldoende kracht om die invloed niet al te schadelijk te doen zijn. Evenmin als een lelie in een voor haar ongeschikte omgeving ooit een distel kan worden, kan het waarnemingsorgaan der ziel, zelfs onder de invloed van de zelfzuchtige belangen der moderne stad, zich tot niets anders vormen dan tot datgene waartoe het bestemd is. 

Maar het is goed dat de leerling, hoe het ook zij, van tijd tot tijd de vredige natuur met haar stille waardigheid en bekoring tot zijn omgeving verkiest. Bijzonder bevoorrecht is de mens, die zijn geestesscholing geheel en al in bos en veld, in de groene plantenwereld kan doorleven of te midden van zonnige bergen, in lieflijke, landelijke eenvoud. Dit doet de innerlijke organen ontluiken op een wijze, zo harmonisch als in een moderne stad nimmer te verwezenlijken is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE  ERLANGT  MAN  ERKENNTNISSE DER  HÖHEREN  WELTEN? (blz. 99-100)

Deze vertaling is uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave van dit boek. Het is later in een meer eigentijdse vertaling verschenen met de titel: De weg tot inzicht in hogere werelden.

9789082999815_front

Wereldwijde verantwoordelijkheid

Als de mensheid op aarde in verkeerde (Duits: unlauteren) morele impulsen leeft, dan wordt de aarde anders dan wanneer de mensheid in moreel goede impulsen leeft. […] De mens overziet niet hoe wat zich uiterlijk in het verloop van de natuur afspeelt niet afhankelijk is van alleen maar natuurlijke oorzaken.

Veel belangrijker voor wat tegenwoordig de configuratie van Europa is, veel belangrijker dan te onderzoeken hoe tweeduizend jaar geleden de uiterlijke mineraal-plantaardige structuur van de aarde was, is te vragen: Hoe hebben tweeduizend jaar geleden hier of  eigenlijk in de gehele mensheidscivilisatie de mensen geleefd? 

En niet van hoe nu onze minerale wereld is, zal na tweeduizend jaar het lot van de aarde als planeet afhangen, maar van wat wij doen en laten zal het lot van de planeet afhangen! Met het bewustzijn van de wereld breidt de menselijke verantwoordelijkheid zich uit naar wereldwijde verantwoordelijkheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 191 – Soziales Verständnis aus geisteswissenschaftlicher Erkenntnis – Dornach, 9 november 1919 (bladzijde 238-239)

Eerder geplaatst op 11 februari 2017  (12 reacties)

rudolf-steiner-ga-191-soziales-verstaendnis-aus-ge

Geen tegenstrijdigheid

Naar de geest en in de ware zin zal ook geen echte man van de wetenschap een tegenstrijdigheid kunnen vinden tussen zijn wetenschap, die op de feiten van de zintuigelijk ervaarbare wereld gebouwd is en de wijze, waarop de bovenzinnelijke wereld wordt doorgrond. Die man van de wetenschap bedient zich van bepaalde instrumenten en methoden. De instrumenten construeert hij door de verwerking van het materiaal, dat de ‘natuur’ hem biedt. De bovenzinnelijke wijze van onderzoek bedient zich ook van een instrument. Hierbij echter is dit instrument de mens zelf. En ook dit instrument moet voor het hogere onderzoek eerst geschikt worden gemaakt. De vermogens en krachten, die aan de mens aanvankelijk zonder diens eigen toedoen door de ‘natuur’ geschonken zijn, moeten in hem in hogere worden omgezet. Daardoor kan zich de mens zelf tot een instrument maken voor het onderzoek van de bovenzinnelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – Die Geheimwissenschaft im Umriss (bladzijde 51)

Vertaling door F. Wilmar