Waarom zou ik mij bekommeren om wat zich na de dood afspeelt?

Dat is iets wat de mens tegenwoordig maar heel moeilijk inziet. De mens denkt: waarom zou ik mij bekommeren om wat zich in de geestelijke wereld afspeelt? Als ik sterf ga ik hoe dan ook de geestelijke wereld in, dan zal ik wel zien en horen, wat daar is! – In ontelbare variaties kunt u dat horen, die gemakkelijke manier: Ach, wat zou ik mij voor mijn dood druk maken om het geestelijke! Ik zal wel zien wat daar is; want dat kan immers niets veranderen aan mijn verhouding tot de geestelijke wereld, of ik mij er hier mee bezighoud of niet!

Zo is het echter niet. De mens die zo denkt, zal een schemerachtige en duistere wereld kennen leren. Hij zal niet veel kunnen onderscheiden van wat u beschreven vindt in mijn boeken over de geestelijke werelden. Want dat de mens hier in de aardse wereld zijn geest en ziel verbindt met de geestelijke wereld, dat maakt hem pas vaardig tot zien, doordat hij zich hier daarop voorbereidt. De geestelijke wereld is daar; de vaardigheid erin te zien, moet u zich hier op aarde verwerven, anders bent u blind in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn, 22 maart 1909 (bladzijde 257)

 wat-kan-mij-het-schelen-tekst-t-shirt_original_1

Eerder geplaatst op 28 juni 2018   (7 reacties)

 

Vruchtbaar na de dood is wat we als spirituele wijsheid opgenomen hebben, onverschillig of wij het zelf gezien hebben of niet

Voor de mensheid in het algemeen heeft het kunnen waarnemen in bovenzinnelijke werelden een hogere waarde als het niet kunnen waarnemen. Want wie er in waarneemt, komt in contact met de geestelijke wereld; hij kan dan niet alleen mensen, maar ook andere, geestelijke wezens onderrichten en in hun vooruitgang helpen. Daarom heeft dit helderziende bewustzijn een heel bijzondere waarde. Maar voor de individuele mens is alleen de kennis van waarde, en met betrekking tot het individuele onderscheidt de helderziende mens zich niet van degene, die alleen de mededelingen ontvangen heeft en in de desbetreffende incarnatie niet kon waarnemen in de geestelijke wereld. Vruchtbaar na de dood is wat we als spirituele wijsheid opgenomen hebben, onverschillig of wij het zelf gezien hebben of niet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 124 – Exkurse in das Gebiet des Markus-Evangeliums – Berlijn, 17 oktober 1910 (bladzijde 20)

 a4653a78f6a700602e4d09a821516f29

Eerder geplaatst op 18 mei 2018  (4 reacties)

Waarom worden wij geboren?

Als wij onze blik naar de geestelijke werelden richten, zouden wij ons allereerst moeten afvragen: waarom worden wij vanuit die werelden geboren in de fysieke wereld? We worden in deze fysieke wereld geboren, omdat er hier op aarde dingen te ervaren en te beleven zijn, waarvoor geen mogelijkheid bestaat in de geestelijke werelden. De vruchten hiervan moet men meebrengen in de geestelijke werelden na de dood. Om dit alles te bereiken, moet men vooral de fysieke wereld met zijn geest willen leren kennen. Ter wille van de geestelijke wereld moet men onderduiken in deze fysieke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 194 –  Die Sendung Michaels – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 166)

Vertaling: W.A.C. Labberté, overgenomen uit het boek Michaël (bladzijde 156-157)  

Eerder geplaatst op 20 april 2018  (18 reacties)

Rudolf Steiner

Na de dood – 7 (slot)

Wanneer u dus bijvoorbeeld, doordat u een ander mens leed hebt berokkend, dat leed van die andere mens beleeft, dan zegt u dadelijk: wanneer ik dit leed niet zou beleven, dan zou mijn ziel onvolkomen blijven. Want dat zou mij voortdurend iets besparen van de gevolgen van de schade die ik in het heelal heb aangericht. Ik word alleen dan een volledig mens, wanneer ik de vereffening beleef.

Al naar gelang van onze gemoedsgesteldheid kan het gebeuren, dat wij moeilijk doordringen tot het post-mortem-oordeel, dat het eigenlijk een weldaad is te lijden wegens het berokkenen van leed aan iemand anders. Maar er is een bepaalde gesteldheid van de ziel, die het makkelijker maakt, namelijk wanneer wij reeds in dit aardeleven iets hebben vernomen over het bovenzinnelijke leven. Er is een gesteldheid van de ziel, waardoor wij gewaarworden dat, wat als smartelijke vereffening van vele levenservaringen wordt doorgemaakt, ons zelfs gelukkig kan maken. En wel omdat wij door die smartelijke vereffening nu juist vorderen op weg naar het volmaakte menszijn. Wij zouden anders achter blijven op die weg.

Wanneer u een ander leed hebt toegebracht, wordt u minder waard dan u tevoren was. En als u verstandig oordeelt, dan zegt u: ‘Ik ben voor het heelal een slechtere mensenziel, nadat ik die ander leed heb berokkend. Voordien was ik meer waard.’ U zult het als een weldaad ondergaan wanneer u na de dood de vereffening kunt bereiken, doordat u dat leed nu ook kunt ondergaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 234 – ANTHROPOSOPHIE/Eine Zusammenfassung nach einundzwanzig Jahren – Dornach, 10 februari 1924 (bladzijde 155-156)

Vertaling H. van Manen, overgenomen uit Grondslagen van de antroposofie (bladzijde 161-162)

Eerder geplaatst op 9 april 2018  (2 reacties)

Na de dood – 6 van 7

Dit soort beleven is – zoals ik gisteren reeds zei – verbonden met ons gevoel dat er bovenmenselijke wezens aan deelnemen. Terwijl wij ons door die geestelijke tegenbeelden van onze belevenissen heen worstelen, is het alsof van boven voortdurend de sympathieën en antipathieën van de geestelijke wezens naar beneden druppelen. En bij dit herbeleven voelen wij, ten aanzien van alles wat wij op aarde uit ons zelf hebben volbracht – hetzij in gedachten, hetzij in gevoelens, hetzij in wils-impulsen, hetzij in daden – hoeveel het waard is voor het van de geest uit georiënteerde bestaan. In bittere smart beleven wij dan de schade die wij hebben aangericht. Wij beleven daarbij als een brandende dorst de hartstochten, die in onze ziel leefden. Die brandende dorst, die hartstochten duren voort, totdat wij de waardeloosheid voor de geestelijke wereld van het koesteren van hartstochten voldoende hebben beleefd en te boven zijn gekomen.

De ziel lijdt dorst, brandende dorst naar de dingen, die hij gewend is door fysieke handelingen te bevredigen. Die handelingen kan hij niet meer toepassen, wanneer hij het fysieke lichaam heeft afgelegd. Met de honger is het net zo. Een groot deel van dat teruggaan tijdens het leven na de dood, verstrijkt er mee, dat de mens er eerst in zijn geest en ziel aan moet wennen te leven zonder zijn fysieke lichaam. Hij lijdt dan ook voortdurend brandende dorst, in de eerste plaats naar wat slechts door het fysieke lichaam te bevredigen is.

Er bestaan beschrijvingen hoe dit beleefd wordt in een derde gedeelte van de duur van ons fysieke leven op aarde, beschrijvingen die dit afschilderen als een ware hel. En wanneer u zulke beschrijvingen leest, zoals die bijvoorbeeld in de theosofische literatuur worden gegeven, krijgt u vast en zeker kippenvel! Daarin wordt naar oosters gebruik over het Kamaloka gesproken. Nu, zó erg is het niet. Het is wèl zo dat het, wanneer u het direct vergelijkt met het aardse leven, iets zeer ongewoons is, omdat u terstond uw weg moet vinden in de geestelijke tegenbeelden en tegenwaarden van wat u op aarde hebt doorgemaakt. Zodat al wat op aarde tot het goede leven behoorde, nu bittere ontbering is. En het enige dat nu iets bevredigends geeft, is wat men op aarde als onbevredigend of als pijnlijk, smartelijk heeft ondergaan.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 234 – ANTHROPOSOPHIE/Eine Zusammenfassung nach einundzwanzig Jahren – Dornach, 10 februari 1924 (bladzijde 153-155)

Vertaling H. van Manen, overgenomen uit Grondslagen van de antroposofie (bladzijde 159-161)

Eerder geplaatst op 8 april 2018  (6 reacties)