Morele impulsen/Begrip voor mensen/Vooraards bestaan

De aardse menselijke moraliteit berust, als ze niet uit louter frasen of mooie redevoeringen bestaat of uit voornemens, die niet uitgevoerd worden en dergelijke, op de interesse van de ene mens in anderen, op de mogelijkheid in de andere mensen te zien (Duits: hinüberzuschauen).

De mens, die begrip voor mensen heeft, zal uit dit begrijpen van mensen de sociaalmorele impulsen ontvangen. Zodat men ook kan zeggen dat de mens alle morele leven in het aardebestaan heeft gewonnen in het vooraardse bestaan, zo gewonnen dat hem van het tesamenleven met de goden de drang blijft om een dergelijk samenleven tenminste in de ziel ook op aarde te vormen. 

En dit vormgeven van een dergelijk samenleven, zodat de ene mens met de anderen de taken op aarde, de aardemissie volbrengt, dat voert in werkelijkheid alleen tot het morele leven op aarde. We zien dus dat de liefde en het effect van de liefde, de moraliteit, ten enenmale een resultaat, een gevolg is van wat de mens in het vooraardse bestaan geestelijk heeft doorgemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 62-63)

 Eerder geplaatst op 3 juli 2015  (11 reacties)

Over kennis en moraal

Het is toch in het gewone, dagelijkse leven in de fysieke wereld zo, dat tot de allereenvoudigste mensenziel, tot de meest ongeleerde mensenziel de morele impulsen met een grote zekerheid uit de diepte spreken kunnen. En zelfs menig zeer geleerd mens, zelfs menigeen die zich tot de filosofen rekent of een wetenschapper is, kan op moreel gebied beschaamd staan tegenover een eenvoudige persoonlijkheid, die met betrekking tot kennis zich niet veel heeft eigengemaakt, en die toch uit de diepten van zijn ziel in de moeilijkste situaties opofferende daden van echte mensenliefde in staat is te volbrengen. Het gewone, gebruikelijke weten, uiterlijke fysieke kennis, hoeft zeker niet naar de diepten te voeren, van waaruit de morele impulsen ontspringen, de impulsen waaruit de moraal gevestigd moet worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 3 april 1913 (bladzijde 423)

Geboden in intellectualistische vorm verpesten veel bij kinderen

Dat is het ontzaglijk belangrijke bij de morele opvoeding: Als we de kinderen kant en klare geboden bijbrengen, die al begrippen zijn, dan vergen we van hem de moraal in ideeënvorm op te nemen, en dan komt de antipathie; tegen morele geboden, die abstract zijn geformuleerd, verzet het innerlijk organisme van de mens zich, komt het in opstand. Als ik het kind beweeg om zelf eerst uit het leven, uit het gemoed, uit het voorbeeld, uit alle dingen het morele gevoel te formuleren, en het dan tot onderscheiding laat komen, zodat het kind zelf de geboden vormt, zichzelf autonoom, in vrijheid de zedelijke geboden vormt, dan breng ik het in een activiteit die zijn hele persoon vereist. Met morele geboden maak ik echter de kinderen de moraal tegen, en dat speelt een rol van enorme betekenis in ons tegenwoordige sociale leven. Men vermoedt helemaal niet hoeveel aan de mooiste, de heerlijkste, de meest majestueuze morele impulsen bij de mensheid een afkeer verwekt hebben, omdat het intellectualistisch gegeven is in de vorm van geboden, in de vorm van intellectualistische ideeën.

Bron: Rudolf Steiner – GA 305 –Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst – Oxford, 25 augustus 1922 (bladzijde 173-174)

P.S. Titel is niet van Steiner, maar van mezelf.

Morele impulsen/Begrip voor mensen/Vooraards bestaan

De aardse menselijke moraliteit berust, als ze niet uit louter frasen of mooie redevoeringen bestaat of uit voornemens, die niet uitgevoerd worden en dergelijke, op de interesse van de ene mens in anderen, op de mogelijkheid in de andere mensen te zien (Duits: hinüberzuschauen).

De mens, die begrip voor mensen heeft, zal uit dit begrijpen van mensen de sociaalmorele impulsen ontvangen. Zodat men ook kan zeggen, dat de mens alle morele leven in het aardebestaan heeft gewonnen in het vooraardse bestaan, zo gewonnen dat hem van het tesamenleven met de goden de drang blijft om een dergelijk samenleven tenminste in de ziel ook op aarde te vormen. En dit vormgeven van een dergelijk samenleven, zodat de ene mens met de anderen de taken op aarde, de aardemissie volbrengt, dat voert in werkelijkheid alleen tot het morele leven op aarde. We zien dus, dat de liefde en het effect van de liefde, de moraliteit, ten enenmale een resultaat, een gevolg is van wat de mens in het vooraardse bestaan geestelijk heeft doorgemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach 15 december 1922 (bladzijde 62-63)

Hier snapt een gewoon mens toch niks van?

In de moderne geestelijke ontwikkeling der mensheid heeft zich pas ontwikkeld wat men het abstracte denken kan noemen. De mens van vroegere ontwikkelingstijdperken had dit denken niet. Het is echter noodzakelijk voor de ontwikkeling van de menselijke vrijheid. Want het maakt de kracht van het denken los van de beeldvorm. Men krijgt de mogelijkheid door het fysieke organisme te denken. Deze soort van denken wortelt echter niet in een werkelijke wereld. Het is alleen de inhoud van een illusoire wereld. [………] In dit schijndenken kunnen echter de morele impulsen zo opgenomen worden, dat ze op de mensen geen dwang uitoefenen. De morele impulsen zelf zijn werkelijkheid, omdat ze uit de spirituele wereld stammen; de wijze waarop de mens ze in zijn schijnwereld beleeft, maakt het hem mogelijk zich vrij naar hen te bepalen of niet te bepalen (Duits: bestimmen). Zij zelf oefenen noch door zijn lichaam, noch door zijn ziel enige dwang op hem uit.

Bron: Rudolf Steiner – GA 025 – Drei Schritte der Anthroposophie:  Philosophie, Kosmologie, Religion – Dornach september 1922  (bladzijde 21–22)

PS. Eerlijk gezegd snap ik niet veel van deze tekst. Ik heb ook een paar zinnen overgeslagen, omdat daar helemaal geen touw aan vast te knopen is voor mij. Maar hij zegt dus dat het hedendaagse abstracte denken een onwerkelijk schijndenken is, maar dat dit denken toch nodig is voor de ontwikkeling van de menselijke vrijheid, omdat dit denken geen dwang op de mens uitoefent. Houdt dit dan in dat als een mens die de ware, hogere werkelijkheid waarneemt, een ingewijde dus, zich wel gedwongen voelt en dus niet vrij is om zich naar de morele impulsen uit de spirituele wereld te richten of niet te richten?

Hierbij moet ik denken aan de woorden van een wijs man, de eind vorig jaar overleden Frank Polling: ‘Uiteindelijk heeft men alleen nog de vrijheid om het goede te doen.’