Lager en hoger Devachan

Net zoals alles wat zich in de mens afspeelt als gedachten naar het astrale gebied wijst, zo wijst alles wat met sympathie en antipathie te maken heeft, naar wat we het lagere Devachan noemen. […]

In ons, voornamelijk in onze borst, spelen processen uit de hemelse wereld of Devachan zich af als gevoelens van sympathie en antipathie voor het mooie en het lelijke, het goede en slechte of het kwaad, zodat we datgene wat we kunnen noemen onze gevoelens tegenover de moreel-esthetische wereld, als schaduwen van het lagere Devachan, de hemelse wereld, in onze ziel dragen.

Dan is er nog een derde kant in het menselijke zieleleven dat we zorgvuldig moeten onderscheiden van de loutere voorliefde voor welwillende handelingen. Het maakt verschil of iemand een mooie, welwillende daad ziet en er welgevallen in heeft of dat men zelf de wil in activiteit omzet om zelf een welwillende daad te verrichten. Ik zou het plezier in het goede, mooie en het misnoegen in slechte, lelijke daden het esthetische element willen noemen en anderzijds dat wat mensen drijft om goed te handelen, het morele noemen.

Het morele staat hoger dan het puur esthetische; het loutere welgevallen of ongenoegen is lager dan de drang van het gevoel om het goede te doen. Voor zover onze ziel zich gedreven voelt om morele impulsen te volgen, zijn deze impulsen de schaduwbeelden van het hogere Devachan, de hogere hemelwereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das  esoterische  Christentum und  die geistige  Führung  der  Menschheit – Bazel, 1 oktober 1911 (blz. 86)

13489854392

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (1 van 2)

We zeggen dat het vaak buitengewoon deprimerend is ons lot te moeten verdragen. Inderdaad. Wanneer we ons tot het fysiek-zintuiglijke aardeleven bepalen, zien we hoe iets, wat voortkomt uit de beste morele impulsen, maar al te vaak weinig succes heeft, terwijl veel, wat voortkomt uit beslist niet goede morele impulsen, wel goede resultaten oplevert. Waarom is dit zo? Dit komt doordat deze fysiek-zintuiglijke wereld, die wij in zekere zin hebben ‘aangetrokken’, namelijk een deel daarvan om ons lichaam te bekleden, totaal geen zedelijke impulsen bevat. Om te beginnen doven in ons hele doen en laten binnen de fysieke wereld de morele impulsen uit, ze spelen geen rol meer, hoogstens kunnen er enkel conventionele regels voor in de plaats komen. Maar door geestelijke kennis leren wij inzien, dat deze wereld niet de enige is, integendeel, dat ze overal doortrokken is van het geestelijke, en wij leren ook inzien, hoe wij het morele en immorele van ons handelen binnendragen in deze wereld van de geest.

Leren wij de waarheid kennen als het gezonde en de dwaling als het ziekmakende, dan strekken wij dit inzicht ook uit tot de morele waarheid en de immorele dwalingen. en wij leren inzien, hoe de mens, door zich over te geven aan de morele waarheid, naar ziel en geest een volledig ontwikkeld mens wordt. Dat behoeft in het tegenwoordige aardse lichaam niet onmiddellijk tot uitdrukking te komen, maar wie morele impulsen in zich draagt, ontplooit zich innerlijk tot een geestelijk-moreel mens. Doordat iemand zich overgeeft aan de dwaling, wordt hij innerlijk naar geest en ziel een gebrekkige.

Zo leert men het morele kennen als iets wat gezond, en de dwaling als iets wat ziek maakt, en men gaat inzien dat door het leven in de morele waarheid de mens harmonisch gevormd wordt. Maar in de ontwikkelingscyclus, waarin wij ons bevinden, uit zich dat niet onmiddellijk in het fysieke lichaam, dat wij dragen als resultaat van wat wij ons in het vorige aardeleven hebben eigen gemaakt. Maar wanneer wij ons overgeven aan de moreel gezonde waarheid of aan de moreel ongezonde dwaling, worden wij naar geest en ziel respectievelijk gezonde harmonische mensen of wij worden verminkt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 43-44)

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 41-42) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Vertaling:M. Macintosh

Eerder geplaatst op 7 november 2020

504x840

Wereldwijde verantwoordelijkheid

Als de mensheid op aarde in verkeerde (Duits: unlauteren) morele impulsen leeft, dan wordt de aarde anders dan wanneer de mensheid in moreel goede impulsen leeft. […] De mens overziet niet hoe wat zich uiterlijk in het verloop van de natuur afspeelt niet afhankelijk is van alleen maar natuurlijke oorzaken.

Veel belangrijker voor wat tegenwoordig de configuratie van Europa is, veel belangrijker dan te onderzoeken hoe tweeduizend jaar geleden de uiterlijke mineraal-plantaardige structuur van de aarde was, is te vragen: Hoe hebben tweeduizend jaar geleden hier of  eigenlijk in de gehele mensheidscivilisatie de mensen geleefd? 

En niet van hoe nu onze minerale wereld is, zal na tweeduizend jaar het lot van de aarde als planeet afhangen, maar van wat wij doen en laten zal het lot van de planeet afhangen! Met het bewustzijn van de wereld breidt de menselijke verantwoordelijkheid zich uit naar wereldwijde verantwoordelijkheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 191 – Soziales Verständnis aus geisteswissenschaftlicher Erkenntnis – Dornach, 9 november 1919 (bladzijde 238-239)

Eerder geplaatst op 11 februari 2017  (12 reacties)

rudolf-steiner-ga-191-soziales-verstaendnis-aus-ge

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (1 van 2)

We zeggen dat het vaak buitengewoon deprimerend is ons lot te moeten verdragen. Inderdaad. Wanneer we ons tot het fysiek-zintuiglijke aardeleven bepalen, zien we hoe iets, wat voortkomt uit de beste morele impulsen, maar al te vaak weinig succes heeft, terwijl veel, wat voortkomt uit beslist niet goede morele impulsen, wel goede resultaten oplevert. Waarom is dit zo? Dit komt doordat deze fysiek-zintuiglijke wereld, die wij in zekere zin hebben ‘aangetrokken’, namelijk een deel daarvan om ons lichaam te bekleden, totaal geen zedelijke impulsen bevat. Om te beginnen doven in ons hele doen en laten binnen de fysieke wereld de morele impulsen uit, ze spelen geen rol meer, hoogstens kunnen er enkel conventionele regels voor in de plaats komen. Maar door geestelijke kennis leren wij inzien, dat deze wereld niet de enige is, integendeel, dat ze overal doortrokken is van het geestelijke, en wij leren ook inzien, hoe wij het morele en immorele van ons handelen binnendragen in deze wereld van de geest.

Leren wij de waarheid kennen als het gezonde en de dwaling als het ziekmakende, dan strekken wij dit inzicht ook uit tot de morele waarheid en de immorele dwalingen. en wij leren inzien, hoe de mens, door zich over te geven aan de morele waarheid, naar ziel en geest een volledig ontwikkeld mens wordt. Dat behoeft in het tegenwoordige aardse lichaam niet onmiddellijk tot uitdrukking te komen, maar wie morele impulsen in zich draagt, ontplooit zich innerlijk tot een geestelijk-moreel mens. Doordat iemand zich overgeeft aan de dwaling, wordt hij innerlijk naar geest en ziel een gebrekkige.

Zo leert men het morele kennen als iets wat gezond, en de dwaling als iets wat ziek maakt, en men gaat inzien dat door het leven in de morele waarheid de mens harmonisch gevormd wordt. Maar in de ontwikkelingscyclus, waarin wij ons bevinden, uit zich dat niet onmiddellijk in het fysieke lichaam, dat wij dragen als resultaat van wat wij ons in het vorige aardeleven hebben eigen gemaakt. Maar wanneer wij ons overgeven aan de moreel gezonde waarheid of aan de moreel ongezonde dwaling, worden wij naar geest en ziel respectievelijk gezonde harmonische mensen of wij worden verminkt.

Wordt vervolgd

s3-300x195

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 43-4

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 41-42) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist    Vertaling:M. Macintosh

Over kennis en moraal

Het is toch in het gewone, dagelijkse leven in de fysieke wereld zo dat tot de allereenvoudigste mensenziel, tot de meest ongeletterde mensenziel de morele impulsen met een grote zekerheid uit de diepte spreken kunnen. En zelfs menig zeer geleerd mens, zelfs menigeen die zich tot de filosofen rekent of een wetenschapper is, kan op moreel gebied beschaamd staan tegenover een eenvoudige persoonlijkheid, die met betrekking tot kennis zich niet veel heeft eigen gemaakt, en die toch uit de diepten van zijn ziel in de moeilijkste situaties in staat is opofferende daden van echte mensenliefde te volbrengen. Het gewone, gebruikelijke weten, uiterlijke fysieke kennis, hoeft zeker niet naar de diepten te voeren, van waaruit de morele impulsen ontspringen, de impulsen waaruit de moraal gevestigd moet worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 3 april 1913 (bladzijde 423)

 Eerder geplaatst op 13 oktober 2016  (1 reactie)