Moraal prediken (1 van 2)

Een filosoof, de zeker ook in noordelijke landen niet onbekende Schopenhauer, heeft naast het vele foutieve dat zijn filosofie bevat, een zeer juiste zin uitgesproken met betrekking tot de principes van moraliteit, namelijk: ‘Moraal prediken is gemakkelijk, moraal vestigen (Duits: begründen) is moeilijk.’ Zeer waar is deze uitspraak, want er bestaat eigenlijk nauwelijks iets gemakkelijkers dan op een manier die de meest algemene principes van menselijk voelen en ervaren benadert, uit te spreken wat een mens doen of laten moet, opdat hij een goed mens zal zijn.

Weliswaar voelt menigeen zich zelfs beledigd als beweerd wordt, dat het gemakkelijk is. Maar het is gemakkelijk en wie het leven, wie de wereld kent, zal ook niet betwijfelen dat over nauwelijks iets zo veel gesproken wordt als over de juiste grondbeginselen van het morele handelen. En in het bijzonder is één ding ook waar, dat men in feite de allergrootste instemming bij zijn medemensen vindt als men over deze algemene principes van moreel handelen spreekt. Het voelt om zo te zeggen zo aangenaam voor de luisterende gemoederen dat men zonder meer kan instemmen met wat de spreker zegt, als hij de meest algemene principes van moreel gedrag naar voren brengt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 155 – Christus und die menschliche Seele: Theosophische Moral – Norrköping, 28 mei 1912 (bladzijde 69-70)

Eerder geplaatst op 12 december 2017  (14 reacties)

Schopenhauer-in-1815

Arthur Schopenhauer
Geboren: 22 februari 1788, Gdańsk, Polen
Overleden: 21 september 1860, Vrije stad Frankfort

Karma – Moraal – Egoïsme (slot)

De mensen hebben tegen moraal preken een zekere antipathie. Ze zeggen: wat mij daar gepreekt wordt, dat wil een ander en ik moet me daar maar naar voegen! – Dit geloof zal steeds meer de overhand nemen, naarmate het materialistische bewustzijn de overhand krijgt.

Men zegt tegenwoordig; er is klassenmoraal, standenmoraal, en wat een dergelijke klassenmoraal voor juist houdt, dat wordt de andere klasse opgedrongen. Een dergelijke mening is in de geesten der mensen binnengestroomd en in de toekomst zal dat steeds erger en erger worden.

Het gevoel zal bij de mensen steeds sterker worden dat ze alles, wat op moreel gebied als goed en juist moet worden erkend, zelf willen vinden, dat dit uit hun hang naar objectieve kennis ontspringen zal. De menselijke individualiteit wil steeds meer geldigheid hebben.

Op het ogenblik echter waarin bijvoorbeeld het hart zou inzien, dat het mee ziek wordt als het gehele organisme ziek wordt, zou de mens doen wat nodig is om niet ziek te worden. En op het ogenblik dat de mens inziet dat hij in het gehele aardeorganisme is ingebed, dat hij geen etterbuil mag zijn aan het aardelichaam, dan is er een objectieve reden voor het goed zijn. En de mens zal zeggen: als ik steel, wil ik mij een voordeel verschaffen. Ik doe het niet omdat ik daardoor het gehele aardeorganisme, waar zonder ik niet leven kan, ziek maak. Ik doe het tegendeel en ik verschaf daardoor niet alleen het organisme, maar ook mijzelf een voordeel.

Zo ongeveer zal het morele bewustzijn der mensen zich in de toekomst vormen. Degene die een morele impuls vanuit de antroposofie heeft, zal zich zeggen: Het is een illusie als men zich door een immorele daad een voordeel wil verschaffen. Je bent als je dat doet als een inktvis die een donkere vloeistof uitspuwt: een donkere aura van immorele driften spuit je uit. Liegen en stelen is een kiem van een aura waarin je gaat zitten en waardoor je de gehele wereld ongelukkig maakt.

Men zegt: wat rondom ons is, is Maya. Maar zulke waarheden moeten levende waarheden worden. Als men kan aantonen dat door de geesteswetenschap de morele ontwikkeling der mensheid in de toekomst zo wordt, dat de mens moet inzien, hoe hij zich in een aura van zinsbegoocheling hult, wanneer hij zich een voordeel wil verschaffen, dan wordt het een praktische waarheid dat de wereld een maya of illusie is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Bedeutung der Geistesforschung für das sittliche Handeln – Bielefeld, 6 maart 1911 (bladzijde 129-130)

Eerder geplaatst op 11 december 2015

Karma – Moraal – Egoïsme (4 van 5)

Wanneer er zich nu in het menselijke organisme een ontstekingsproces vormt, wordt het gehele organisme door koorts doortrokken, het gehele organisme wordt door ziekte gegrepen. Vertalen wij dit naar het aarde-organisme, dan kunnen we zeggen, dat het waar is wat het occultisme beweert: dat als ergens op de aarde een immorele daad wordt begaan, dat voor het totale aarde-organisme hetzelfde is als voor de mensen een kleine etterbuil aan het menselijk lichaam, die het gehele organisme ziek maakt. Zodat, als een diefstal op aarde gepleegd wordt, de uitwerking daarvan is dat de gehele aarde een soort koorts oploopt. Dat is niet slechts vergelijkenderwijs gezegd, maar het is diep gefundeerd. Onder alle immoraliteit lijdt het gehele aarde-organisme en wij kunnen als afzonderlijke mens niets immoreels doen zonder dat de gehele aarde mede schade wordt toegebracht. Dat is in wezen een zeer eenvoudige gedachte, maar het is voor de mensen moeilijk te bevatten.

Maar de mensen, die het niet geloven willen, moeten het maar afwachten. Men zou eens moeten proberen zulke gedachten onze cultuur in te prenten, met zulke gedachten te appelleren aan het menselijk hart, het menselijk geweten: Wanneer ergens immorele handelingen worden begaan, dan zijn die voor de gehele aarde een soort etterbuil en maken het aarde-organisme ziek-, en de ervaring zal aantonen, dat in zulke inzichten ontzaglijke morele impulsen liggen.

Men kan nog zo veel moraal prediken, dat zal de mensen niet helpen. Maar zulke inzichten zouden de mensen niet enkel als kennis opnemen, maar zouden, als ze in de cultuurontwikkeling doordringen, als ze al in het kinderlijke gemoed gegoten zouden worden, een enorme morele impuls geven.

Want alle moraal preken hebben voor het menselijk gemoed toch niets zeer overweldigends, overtuigends. Het is toch zoals Schopenhauer zegt, dat moraal preken gemakkelijk is, maar moraal grondvesten moeilijk.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Bedeutung der Geistesforschung für das sittliche Handeln – Bielefeld, 6 maart 1911 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 10 december 2015

Moraal prediken (2 – slot)

Met morele leringen, met morele preken is nog geen moraliteit gevestigd. Werkelijk niet. Als namelijk met morele leringen, met morele preken moraliteit zou kunnen worden gevestigd, dan zouden er vandaag de dag zeker geen immorele handelingen meer zijn; dan zouden de morele handelingen van de hele mensheid, om zo te zeggen, in stromen moeten neerstorten, want iedereen heeft immers ongetwijfeld vaak en steeds opnieuw de gelegenheid gehad om de mooiste morele principes te horen, vooral omdat ze zoveel gepreekt worden.

Maar om te weten wat men zou moeten doen, wat het moreel juiste is, dat is wel het minste voor een morele basis. Het allerbelangrijkste voor een moreel fundament is dat in ons impulsen kunnen leven die door hun innerlijke sterkte, hun innerlijke kracht zich in morele daden omzetten, die zich dan ook uiterlijk moreel manifesteren.

Dat doen gewoonlijk morele preken of de resultaten van morele preken geheel niet. Maar moraliteit vestigen wil zeggen dat de mens wordt geleid naar de bronnen waaruit hij de impulsen kan verkrijgen die hem de krachten geven die tot morele activiteiten leiden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 155 – Christus und die menschliche Seele: Theosophische Moral – Norrköping, 28 mei 1912 (bladzijde 70)

Over preken van moraal en karma

Voor de kenner van de psychologie is het duidelijk hoe weinig in het leven is gedaan door enkel het prediken van moraal. Moraal moet als een kracht in de menselijke natuur instromen. Als we ons al het preken over mooie beginselen besparen en alleen de leer van karma als levende kracht in de menselijke ziel zouden kunnen brengen, als het ware als brandstof voor de ziel, dan kan het weliswaar misschien zijn dat deze leer vooreerst uit egoïsme wordt opgenomen, maar er worden daardoor de krachten van de ziel aangewakkerd, zodat dan als gevolg vanuit het egoïsme de onegoïstische handelingen zich kunnen ontwikkelen, die uit het medegevoel voortkomen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 69a – Wahrheiten und Irrtümer der Geistesforschung/ Geisteswissenschaft und Menschenzukunft – Praag, 25 maart 1911 (bladzijde 94)

Eerder geplaatst op 8 februari 2015