Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner – Ik beleefde twee levensstromen, die naast elkaar liepen

Mijn jeugdvriendschappen uit de tijd waarover ik hier spreek (ongeveer 1879-1883) namen een eigenaardige plaats in mijn leven in. Noodgedwongen waren ze de oorzaak van een soort dubbelleven in mijn ziel. De worsteling met de raadselen op het gebied van de kennis, die mij toen vooral in zijn ban hield, interesseerde mijn vrienden weliswaar in sterke mate, maar ze dachten weinig met mij mee. Bij het beleven van deze vraagstukken bleef ik tamelijk eenzaam. Daarentegen leefde ik zelf intens mee met alles wat in het leven van mijn vrienden een rol speelde. Zo beleefde ik twee levensstromen, die naast elkaar liepen. In de ene was ik een eenzame zwerver, in de andere was ik in een sprankelende gezelligheid samen met mensen, die mij lief waren geworden. En dit laatste was voor mijn ontwikkeling dikwijls van diepgaande, blijvende betekenis.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 55 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 80-81)

Eerder geplaatst op 19 april 2016

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (2) – Dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’

De werkelijkheid van de geestelijke wereld was voor mij een even grote zekerheid als die van de zintuiglijke wereld. Maar ik had een soort bewijs voor deze veronderstelling nodig. Ik wilde vastgesteld hebben dat het beleven van de geestelijke wereld evenmin een zinsbegoocheling is als dat van de uiterlijke wereld. Met betrekking tot de geometrie zei ik tot mijzelf: Hier mág men iets weten, wat de ziel zelf slechts door eigen kracht beleeft; door dit gevoel meende ik het recht te hebben op dezelfde wijze te spreken over de geestelijke wereld die ik beleefde als over de zintuiglijke wereld. En dat deed ik dan ook. Twee weliswaar vage voorstellingen speelden vóór mijn achtste levensjaar een grote rol in mijn zielenleven. Ik onderscheidde dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’.

Ik vertel deze dingen waarheidsgetrouw, hoewel mensen, die reden zoeken om de antroposofie als een fantastische zaak af te doen, hieruit misschien de conclusie zullen trekken dat ik als kind al een grote dosis fantasie bezat, waardoor het geen wonder was dat ik ook tot een fantastische wereldbeschouwing kwam.

Maar juist omdat ik weet hoe ik later, bij de beschrijving van een geestelijke wereld, alleen maar gelet heb op de eigen wetten van dit gebied en niet op mijn persoonlijke liefde daarvoor, kan ik zelf heel objectief terugzien op de kinderlijke onbeholpen wijze, waarop ik meende te mogen denken over een wereld ‘die men niet ziet’ en die gerechtvaardigd werd door de geometrie.

Ik moet echter ook zeggen, dat ik graag in deze wereld vertoefde. De zintuiglijke wereld, zou ik, zonder het licht van de andere zijde, als een geestelijke duisternis om me heen hebben ervaren.

Bron: Mijn Levensweg – bladzijde 16-17 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 22-23)

Eerder geplaatst op 17 mei 2014

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner – Ik beleefde twee levensstromen, die naast elkaar liepen

Mijn jeugdvriendschappen uit de tijd waarover ik hier spreek (ongeveer 1879-1883) namen een eigenaardige plaats in mijn leven in. Noodgedwongen waren ze de oorzaak van een soort dubbelleven in mijn ziel. De worsteling met de raadselen op het gebied van de kennis, die mij toen vooral in zijn ban hield, interesseerde mijn vrienden weliswaar in sterke mate, maar ze dachten weinig met mij mee. Bij het beleven van deze vraagstukken bleef ik tamelijk eenzaam. Daarentegen leefde ik zelf intens mee met alles wat in het leven van mijn vrienden een rol speelde. Zo beleefde ik twee levensstromen, die naast elkaar liepen. In de ene was ik een eenzame zwerver, in de andere was ik in een sprankelende gezelligheid samen met mensen, die mij lief waren geworden. En dit laatste was voor mijn ontwikkeling dikwijls van diepgaande, blijvende betekenis.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 55 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven)

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 80-81)

Eerder geplaatst op 24 maart 2012

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner  – Dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’

De werkelijkheid van de geestelijke wereld was voor mij een even grote zekerheid als die van de zintuiglijke wereld. Maar ik had een soort bewijs voor deze veronderstelling nodig. Ik wilde vastgesteld hebben dat het beleven van de geestelijke wereld evenmin een zinsbegoocheling is als dat van de uiterlijke wereld. Met betrekking tot de geometrie zei ik tot mijzelf: Hier mág men iets weten, wat de ziel zelf slechts door eigen kracht beleeft; door dit gevoel meende ik het recht te hebben op dezelfde wijze te spreken over de geestelijke wereld die ik beleefde als over de zintuiglijke wereld. En dat deed ik dan ook. Twee weliswaar vage voorstellingen speelden vóór mijn achtste levensjaar een grote rol in mijn zielenleven. Ik onderscheidde dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’.

Ik vertel deze dingen waarheidsgetrouw, hoewel mensen, die reden zoeken om de antroposofie als een fantastische zaak af te doen, hieruit misschien de conclusie zullen trekken dat ik als kind al een grote dosis fantasie bezat, waardoor het geen wonder was dat ik ook tot een fantastische wereldbeschouwing kwam.

Maar juist omdat ik weet hoe ik later, bij de beschrijving van een geestelijke wereld, alleen maar gelet heb op de eigen wetten van dit gebied en niet op mijn persoonlijke liefde daarvoor, kan ik zelf heel objectief terugzien op de kinderlijke onbeholpen wijze, waarop ik meende te mogen denken over een wereld ‘die men niet ziet’ en die gerechtvaardigd werd door de geometrie.

Ik moet echter ook zeggen, dat ik graag in deze wereld vertoefde. De zintuiglijke wereld, zou ik, zonder het licht van de andere zijde, als een geestelijke duisternis om me heen hebben ervaren.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 16-17 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang  (bladzijde 22-23)

Eerder geplaatst op 14 maart 2012.

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner

Bij Wiener-Neustadt en verder in de richting van Stiermarken gaan de bergen over in de laagvlakte, waar de Leitha doorheen stroomt. Op de helling van een berg lag een klooster van de redemptoristen. Op mijn wandelingen ontmoette ik de monniken dikwijls. Ik weet nog, hoe ik er naar verlangde dat ze me zouden aanspreken. Ze deden het nooit. En zo hield ik van zo’n ontmoeting alleen maar een vage, hoewel plechtige indruk over, die me steeds lang bijbleef. In mijn negende jaar vatte de gedachte bij mij post, dat er met de opgaven van deze monniken belangrijke zaken verbonden moesten zijn, die ik zou moeten leren kennen. Ook op dit punt moest ik veel onbeantwoorde vragen in mij omdragen. Ja, door deze vragen over alle mogelijke dingen was ik als jongen heel eenzaam.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) – Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang

Let wel: Op deze leeftijd van negen jaar had Steiner al helderziende ervaringen. Daarover spreekt hij in dit boek niet. Maar in een voordracht uit 1913 vertelt hij over de zelfmoord van een familielid, van wie hij de overleden ziel zag. Over deze ervaringen sprak hij echter met niemand. Daarover zegt hij in die voordracht: ‘Er was niemand in zijn familie met wie hij hierover kon spreken, want hij zou toen reeds de grofste woorden over zijn dom bijgeloof hebben moeten slikken.

Op ongeveer dezelfde leeftijd bestudeerde hij tegelijkertijd met de grootste interesse geometrie en astronomie. Het is eigenlijk ongelooflijk over hoeveel kracht en rijpheid en uitzonderlijke begaafdheid hij reeds als kind van acht, negen jaar beschikte.

Eerder geplaatst op 13 maart 2012