Over kennis en moraal

Het is toch in het gewone, dagelijkse leven in de fysieke wereld zo dat tot de allereenvoudigste mensenziel, tot de meest ongeletterde mensenziel de morele impulsen met een grote zekerheid uit de diepte spreken kunnen. En zelfs menig zeer geleerd mens, zelfs menigeen die zich tot de filosofen rekent of een wetenschapper is, kan op moreel gebied beschaamd staan tegenover een eenvoudige persoonlijkheid, die met betrekking tot kennis zich niet veel heeft eigen gemaakt, en die toch uit de diepten van zijn ziel in de moeilijkste situaties in staat is opofferende daden van echte mensenliefde te volbrengen. Het gewone, gebruikelijke weten, uiterlijke fysieke kennis, hoeft zeker niet naar de diepten te voeren, van waaruit de morele impulsen ontspringen, de impulsen waaruit de moraal gevestigd moet worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 3 april 1913 (bladzijde 423)

 Eerder geplaatst op 13 oktober 2016  (1 reactie)

De doden / Veroordelen / Universele mensenliefde

We moeten niet geloven dat de dode niet een levendige interesse heeft in de mensen op aarde. Dat heeft hij, woant de mensenwereld is een deel van de hele kosmos; ons leven maakt er deel van uit. En net zoals wij geïnteresseerd zijn in de ondergeschikte rijken in de fysieke wereld, zo zijn de doden intens geïnteresseerd in de menselijke wereld, en daar sturen ze hun impulsen naar toe; door de levenden werken ze op de wereld in. […]

Maar de dode ziet bovenal één ding heel duidelijk. Hij ziet hoe een mens, die impulsen van haat volgt, die een of ander haat vanuit louter persoonlijke bedoelingen; dat ziet de dode. Maar de dode moet door zijn manier van kijken, door wat hij kan weten, heel duidelijk het aandeel zien dat Ahriman hierin heeft, hoe Ahriman bijvoorbeeld de mens aanzet tot haat; de dode ziet Ahriman aan mensen werken.

Aan de andere kant, wanneer de mens hier op aarde ijdel is, ziet hij Lucifer aan hem werken. Dat is het essentiële punt dat de dode de mensen ziet in samenhang met de ahrimanisch-luciferische wereld. Daardoor valt voor de doden dat weg, wat ons menselijk oordeel vaak geheel en al kleurt. We zien deze of gene die we op de een of andere manier veroordelen; we schuiven hem in de schoenen, wat we afkeurenswaardig aan hem vinden. De dode verwijt het de mens niet onmiddellijk, maar hij ziet hoe de mens door Ahriman of Lucifer verleid is. 

Dit veroorzaakt wat we een afdemping kunnen noemen van de scherp gedifferentieerde gevoelens die we in ons fysieke aardse leven voor deze of gene persoon hebben. Voor de doden komt veel meer een soort universele menselijke liefde naar voren. Gelooft u niet dat de dode niet zou kunnen kritiseren, dat wil zeggen: het kwaad op de juiste manier zien. Hij ziet het wel; alleen hij kan het herleiden naar de oorsprongen, naar de samenhangen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden und Toten – Bern, 9 november 1916 (bladzijde 190-191)

Afgunst/Egoïsme/Broederlijkheid

Wat er in het economische leven teweeggebracht wordt door broederlijkheid of onbroederlijkheid, door wat de mensen voor elkaar doen, in economisch opzicht, dat heeft, hoe vreemd het ook klinkt, niet slechts een betekenis voor dit leven tussen geboorte en dood, maar juist een grote betekenis voor het leven na de dood. Het is bijvoorbeeld al van betekenis of ik mijn hele leven door als een jaloers persoon te werk ga en mij zo gedraag dat de afgunst mijn principe is, of dat ik uit mensenliefde handel. 

De handelingen, in zover ze in het openbare leven uitmonden, in zover het de mensen met elkaar in contact brengt, deze handelingen hebben niet alleen een belang hier voor de aarde, maar dit handelen wordt in zijn werking door de poort van de dood gedragen en heeft een betekenis door het gehele leven tussen de dood, die ons treft na dit aardeleven, en het volgende aardeleven. Zodat we kunnen zeggen: Hetgeen zich hier afspeelt als economisch leven, dat is de oorzaak hoe mensen zullen leven tussen de dood en een nieuwe geboorte.

Als bijvoorbeeld een economische orde alleen op egoïsme is gebouwd, dan betekent dit, dat de mensen in hoge mate eenzaten worden tussen de dood en een nieuwe geboorte, dat ze de grootste moeite hebben om andere mensenwezens te vinden, kortom, het is van reusachtige betekenis voor het leven tussen dood en de volgende geboorte, hoe de mens zich hier in economisch opzicht gedraagt.

Bron: Rudolf Steiner  – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach, 31 januari 1920 (bladzijde 127-128)

Eerder geplaatst op 6 mei 2015 (1 reactie)

Prediken van mensenliefde

Wanneer men algemene mensenliefde al te vaak als grondbeginsel predikt, wordt het bedenkelijk. Let wel, ik zeg niet zo zeer als grondbeginsel maar als te vaak uitgesproken grondbeginsel. Bepaalde mensen leggen het liefst de nadruk op de goede eigenschappen, die zij zelf het minst bezitten. Wij kunnen vaak bemerken, dat grondbeginselen dáár het meest verkondigd worden, waar zij het sterkst ontbreken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischen Leib, Ätherleib, Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 26 maart 1913 (bladzijde 119)

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel, Ir. H. de Brey, A. van der Laan-Schepers

De serie voordrachten waaruit deze tekst komt is in 1980 als boek uitgegeven met als titel Innerlijke ontwikkeling door antroposofie bij uitgeverij Vrij Geestesleven. Later is het boek bij uitgeverij Pentagon verschenen met als titel Spirituele ontwikkeling.

Eerder geplaatst op 5 maart 2016

Antroposofie en socialisme (4 van 11) – Voor de eis van mensenliefde en broederlijkheid hebben wij geen spirituele inzichten nodig.

Zulke en soortgelijke redeneringen zal de antroposoof steeds weer moeten horen. En het is niet verwonderlijk dat hij een nutteloze dromer wordt genoemd door hen die geloven het goede te doen door vóór alles aan de materiële ontbering en materiële nood soelaas te bieden. – Armoede en ellende doden in de mensen ook elke spirituele impuls, zij stompen hem voor alle hogere aspiraties af. En spreekt men tot een noodlijdende mensenmenigte, dan spreekt men tot oren die niet in staat zijn de woorden te bevatten.

Veel sociaal voelende mensen van de tegenwoordige tijd zullen bovendien tegenwerpen: voor de eis van mensenliefde en broederlijkheid hebben wij geen spirituele wetenschap nodig. Deze eis brengen vele humanitaire organisaties in onze tijd toch ook naar voren en op uitgebreide wijze komt deze oproep ook van partijen die een verbetering van de sociale omstandigheden van de economisch en geestelijk onderdrukte volksklassen nastreven. Maar – zo wordt gezegd – de socialistische partijen staan op de bodem van het praktische leven, van de werkelijke belangen, waarvoor de massa begrip heeft; de antroposoof echter neemt genoegen met min of meer algemene redeneringen, met spreken en met benadrukken van dingen, die de onderdrukten totaal niet kunnen helpen. En radicale socialistische krantenschrijvers en oproerkraaiers staan snel klaar om te zeggen: dat antroposofische gepraat is alleen geschikt om verwarring te zaaien in de hoofden van hen die voor een echte verbetering van hun levensomstandigheden gewonnen zouden moeten worden.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 432 -433)

Eerder geplaatst op 5 februari 2016