Over orgaandonatie

Ook over orgaandonatie zul je anders denken als je ervan uitgaat dat de mens alleen maar een fysiek lichaam is: dan is het geen punt als je een orgaan zomaar overplaatst in het lichaam van een ander mens, net zoals je machineonderdelen kunt overzetten van het ene apparaat in het andere. In deze visie is de mens dus vergelijkbaar met een machine: wat voor machines geldt, geldt ook voor de mens. 

Maar als je ervan uitgaat dat onze organen niet alleen maar uit fysieke stof bestaan, maar ook een etherisch en een astraal lichaam hebben, komt natuurlijk de vraag op wat de gevolgen van orgaandonatie in dat geval zijn. Om maar een voorbeeld te noemen: onze herinneringen leven in ons etherische lichaam. Dus met de transplantatie van een orgaan transplanteren we ook herinneringen van de ene mens over naar de andere mens. Daardoor kan de ontvanger bijvoorbeeld – en daar zijn vele voorbeelden van – plotseling van smaak veranderen, of krijgt hij plotseling andere voorkeuren voor muziek, of krijgt hij onverwacht te maken met depressieve gevoelens die niet van hem zijn.

Aan de andere kant mist de donor (die immers met zijn orgaan ook sommige herinneringen heeft afgestaan) bij de terugblik in de geestelijke wereld bepaalde herinneringen en kan zich daardoor niet goed bezinnen op zijn zojuist voltooide aardse leven. Voor een verdere toelichting op dit belangrijke thema verwijs ik graag naar mijn boek over dit onderwerp: Orgaandonatie, waarom wel, waarom niet?

Bron: Hans Stolp: RUDOLF STEINER – Stichter van een nieuwe cultuur (blz. 75) – Uitgeverij AnkhHermes

Hans-Stolp

Hans Stolp (17 oktober 1942, Leiden)

Mens en machine

Ik heb u er opmerkzaam op gemaakt dat het vijfde na-Atlantische tijdperk (1413-3573) het probleem zal moeten oplossen, hoe menselijke gemoedstoestanden (Duits: Stimmungen), de beweging van menselijke gemoedstoestanden zich in golfbewegingen op machines laten overdragen, hoe de mens in verband gebracht moet worden met een steeds meer mechanisch wordende omgeving. […] 

Deze dingen moeten niet behandeld worden alsof men ze zou moeten bestrijden. Dat is een zeer verkeerde opvatting. Deze dingen zullen niet uitblijven, ze zullen komen.

Het gaat er nu om of in het wereldhistorisch verloop dit in gang gezet wordt door mensen, die met de grote doelen van van de aarde-evolutie vertrouwd zijn en tot heil van de mensen deze dingen ontwikkelen, of dat ze in gang gezet worden door mensengroepen die ze alleen in egoïstische of groepsegoïstische zin gebruiken.

Daar gaat het om. Niet op het wát komt het in dit geval aan, het wát komt zeker; op het hóe komt het aan, hoe men de dingen aanpakt. Want dat het zal gebeuren, ligt simpelweg in de zin van de aarde-ontwikkeling. Het samengaan (Duits: Zusammenschmieden) van het mensenwezen met machines, dat zal voor de rest van de wereldevolutie een groot, belangrijk probleem zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 178 – Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen – Dornach, 25 november 1917 (bladzijde 218-219)

2f4f3cfcd345e1992bd1c3cec3ac67e0

Eerder geplaatst op 13 oktober 2017   (3 reacties)

Tijden zullen komen – Die tijden zijn er nu!

De tijden zullen komen, hoe dom het de slimme mensen nu ook nog zal lijken – maar de heilige Paulus zei al dat wat de mensen voor verstandig houden, menigmaal een dwaasheid is voor God – , dat een machine in rust blijft staan tot er een mens zal naderen die zal weten dat door een bepaalde handbeweging – de ene zo, een andere zo, een derde weer anders – en door de luchttrillingen die door die bepaalde handgebaren ontstaan, de motor die afgestemd is op deze gebaren in beweging gezet wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 172 – Das Karma des Berufes des Menschen in Anknüpfung an Goethes Leben – Dornach, 12 november 1916 (bladzijde 92)gesture-technology-and-recognition-16-638

Eenvoud is niet altijd het kenmerk van het ware

Als de mensen de waarheid graag op een “eenvoudige manier” willen horen, dan berust dat op menselijke gemakzucht; men wil niet te veel moeten denken; maar de grootste en diepste waarheden zijn slechts ten koste van de uiterste geestelijke inspanning te begrijpen. Als een mens zich al zo moet inspannen om een machine duidelijk te beschrijven, moet hij werkelijk niet verlangen, dat de diepste waarheden zonder moeite te vatten zijn!

Bron: Rudolf Steiner – GA 114 -Das Lukas-Evangelium – Bazel, 19 september 1909 (bladzijde 107-108)

Eerder geplaatst op 31 juli 2011

Geen vage algemene uitspraken, maar kennis en inzicht

Met algemene uitspraken als bijvoorbeeld “harmonische ontwikkeling van alle krachten en vermogens” legt men geen grondslag voor een werkelijke opvoedkunst. Deze kan slechts gefundeerd worden op een reële kennis van het mensenwezen. Hiermee wordt geenszins de bewering geponeerd, dat de bedoelde uitspraken onjuist zouden zijn, maar alleen, dat men er even weinig mee kan beginnen, als, staande voor een machine, met de bewering, dat men al zijn onderdelen harmonisch moet laten functioneren. Alleen diegene, die zonder vage algemene uitspraken, maar met een gedegen vakkennis voor een machine komt te staan, kan hem bedienen. Zo komt het ook bij de opvoedkunst aan op gedetailleerde kennis van de menselijke natuur, op een inzicht in de speciale ontwikkeling van elk onderdeel en in samenhang. Men moet weten op welk deel van de vierledige totaliteit van het kind men behoort in te werken en hoe deze inwerking vakkundig dient te geschieden.

Ongetwijfeld kan een opvoedkunst, die op een reële mensenkennis gegrondvest is, zoals hier beschreven, zich slechts langzaam baanbreken. Dat vindt zijn oorzaak in de opvattingen van onze tijd, die nog lang de feiten van de geestelijke wereld zal aanzien voor uitvloeisels van een volslagen fantasterij, terwijl de huidige wereld redenaties van een vage algemeenheid, die door en door irreëel zijn voor het resultaat van een realistische denkwijze houdt. Onomwonden zal hier datgene uitgesproken worden, wat door vele mensen nu nog wordt aangezien voor een verdichtsel, maar wat in de toekomst als onloochenbare waarheid zal gelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – De opvoeding van het kind in het licht der antroposofie – 1907 (bladzijde 322-323) Vertaling W.F. Veltman

Eerder geplaatst op 3 juni 2011.