Maarten ’t Hart – Mij is depressiviteit geheel vreemd

Wat mij in de symfonicus Mahler (heus, de liederencomponist Mahler vindt in mij een oprechte bewonderaar) vooral tegenstaat, is de inktzwarte, afgronddiepe neerslachtigheid, die met name in de zesde en de negende symfonie haar beslag krijgt. Of liever, nog niet eens zozeer die neerslachtigheid zelf, als wel het zwelgen erin, de overkill, de mahleriaanse onmatigheid. Waarschijnlijk heeft Vestdijk, omdat hij leed aan endogene depressies, in Mahler een verwante ziel bespeurd, een depressieve tweelingbroer. Mij is depressiviteit geheel vreemd, dus ten aanzien van een uiterst belangrijk aspect van het leven van Vestdijk ben ik, anders dan Rudi van der Paardt, die ook aan depressies lijdt, een buitenstaander. Soms kan ik, al komt daar niet weinig voor kijken, een tikje somber zijn, maar diep terneergeslagen ben ik alleen als ik op reis moet. Misschien biedt zo’n kortstondige reisdepressie de mogelijkheid tot empathie met mensen die aan echte depressies lijden, maar mij beangstigt het verschijnsel in hoge mate. Stel dat je ooit zo mateloos depressief zou worden als bijvoorbeeld de met Mahler zo sterk verwante Sjostakovitsj. Die verkeerde voortdurend in de buitenste duisternis. Bij hem werkelijk geen sprankje hoop, geen straaltje licht, geen enkel monter moment. Was dat mijn gemoedstoestand, dan zou ik maar liever meteen morsdood zijn.

Bron: Maarten ’t Hart – Dienstreizen van een thuisblijver (bladzijde 98)

Maarten ’t Hart – Van denken alleen is nog nooit iemand maar één steek wijzer geworden.

Op 30 juni 1999 schrijft Maarten ’t Hart in zijn prachtboek Een deerne in lokkend postuur het volgende:

‘Wat moet ik nou noteren in dit dagboek?’ riep ik vertwijfeld, ‘ik maak niets mee.’

‘Schrijf diepe gedachten op,’ zei Hanneke.

Diepe gedachten? Ik? Ik wantrouw denken. Observeren, experimenteren, en de resultaten daarvan wiskundig bewerken, dat is de enige methode om verder te komen. Van denken alleen is nog nooit iemand maar één steek wijzer geworden. Of zoals Matthieu Galey naar aanleiding van Claude Mauriac op mei 1981 in zijn dagboek schreef: ‘Ten onrechte interesseert hij zich voor ideeën, alsof die ook maar van enig belang zouden zijn.’

Zie ook Steinercitaat van 25 maart 2011 

Filosofen denken veel maar weten niks

Filosofen zijn mensen die zich helemaal suf denken maar niks weten. Als er dan een groot genie opstaat, die wel wat weet en in feite met kop en schouders boven iedereen uitsteekt, Rudolf Steiner dus, dan zijn de filosofen de eersten die hem een fantast en een zwever noemen. Sommigen deinzen er zelfs niet voor terug om hem een dwaas en een gek te noemen.

Ik kan me wel aardig vinden in de woorden van Maarten ’t Hart, die
overigens helemaal niets van antroposofie moet hebben: ‘Mij dunkt: wij moeten niet wijsbegeerte als leervak invoeren op de middelbare scholen, wij moeten, mede gelet op het feit dat elke student filosofie de staat jaarlijks een vermogen kost, de wijsgeren, overgoten met pek en veren, smadelijk wegjagen van onze universiteiten. Kan het eindelijk eens afgelopen zijn met die gevaarlijke onzin?’

Merkwaardig genoeg is het bezwaar van Maarten ’t Hart tegen filosofie hetzelfde als dat van mij, namelijk dat filosofen geloven dat ze met alleen denken wat kunnen bereiken en over van alles hun gedachten laten gaan en een oordeel hebben zonder er werkelijk wat van af te weten. Het verschil is alleen dat Maarten ’t Hart met dit niet weten doelt op de natuurwetenschap en ik doel met dit niet weten op de antroposofie van Steiner. Hoe is Maarten ’t Hart gekomen tot het neersabelen van de filosofie? Dat is te lezen in zijn boek Een deerne in lokkend postuur in het hoofdstuk Is Kant riskant? ‘t Hart heeft jarenlang allerlei filosofen bestudeerd en daarnaast heeft hij als bioloog jarenlang diergedrag geobserveerd en bestudeerd. Daarbij bleek hem steeds weer dat veel filosofen allerlei meningen over dieren en het verschil tussen mens en dier ten beste gaven, waaruit bleek dat ze er geen bal van afwisten. Tegen zijn collega’s van de Rijksuniversiteit durfde Maarten ’t Hart niet eens te zeggen dat hij veel filosofie las. Hij schrijft daarover: “Na Nietzsche volgde in mijn geval niets meer. Ik werd aangesteld als wetenschappelijk medewerker aan de afdeling ethologie van de Rijksuniversiteit te Leiden en merkte al spoedig dat al mijn collega’s aldaar wijsbegeerte beschouwden als volstrekt nutteloze onzin. Ik hield angstvallig voor me dat ik daarin tien jaar lang hevig geïnteresseerd was geweest, want ik wilde natuurlijk wel blijven doorgaan voor een serieuze gedragsonderzoeker.”

Waarmee ik nu ook weer niet wil beweren dat alle filosofie onzin is -tenslotte was Steiner zelf ook een groot filosoof-, maar tegen filosofen die niks van antroposofie weten en wel Steiner afdoen als een halve gek, die de mensen dom wil houden, zou ik een uitspraak van Bob Dylan willen citeren: ‘Don’t critisize what you can’t understand.’

Mijn naam is haas, is er wat gebeurd dan? Daar weet ik niks van.

Maarten ’t Hart over Rudolf Steiner

Momenteel lees ik Een deerne in lokkend postuur – Persoonlijke kroniek 1999 van Maarten ’t Hart. Een buitengewoon boeiend en amusant boek. Hij schrijft daarin onder meer over zijn jarenlange pogingen om het autorijbewijs te halen. Het heeft hem duizenden en duizenden gulden gekost, maar uiteindelijk heeft hij nooit het rijbewijs gehaald. Niet omdat hij het niet kon, maar meer door domme pech en gezondheidsproblemen (hartritmestoornissen). Bij het eerste rijexamen trof hij een zeer tactloze examinator die voortdurend zo hard zat te commanderen en schreeuwen, dat Maarten het op de zenuwen kreeg en tegen een stoeprand aanreed. Toen de examinator plotseling schreeuwde: ‘Hebt u hobby’s?’ schrok Maarten zo hevig dat hij per ongeluk op de toeter drukte en begon te slingeren.

Over zijn tweede examen schrijft hij: ‘De examinator heette meneer Douw. Op mij maakte hij de indruk dat hij zelfs op de BLO-school in elke klas gedoubleerd had. Toen hij me meedeelde dat ik gezakt was –hij kon daar overigens geen enkele goede reden voor opgeven- werd ik zo ongelofelijk kwaad dat ik bijna flauwviel. Goddank, want dat behoedde mij voor erger. Was ik niet zo duizelig geworden, ik had de heer Douw tot moes geslagen. Daarom wist ik toen; nu nooit meer rijexamen afleggen. Anders vallen er doden.’

Ik heb dit nu maar heel kort samengevat, maar Maarten ’t Hart beschrijft het zo enorm komisch, dat ik mij letterlijk tranen gelachen heb.

Tot mijn verrassing schrijft hij ook het een en ander over Rudolf Steiner.

In 1967/1968 heeft ’t Hart samen met zijn vrouw Hanneke anderhalf jaar lang enkele kamers gehuurd in een volgens antroposofische principes gebouwd landhuis genaamd Teylingerhof. Dat  huis behoorde bij een biologisch-dynamische tuinbouwschool, die in de dertiger jaren was opgezet door mevrouw Rosenwald-Leemans met haar twee dochters.

Hij schrijft daarover onder meer: ‘Dat was, zeker in de dertiger jaren, ongehoord en bepaald gedurfd. Rudolf Steiner in Warmond!’ En verder: ‘Teylingerhof heeft maar kort als landbouwschool dienst gedaan. Al die fraaie principes volgens welke men biologisch-dynamische landbouw bedrijven moest, leden schipbreuk op de zware zeeklei.’

Over de oude mevrouw Rosenwald, die half doof en half blind was, schrijft hij: ‘Af en toe werd ik door de ‘oude’ mevrouw uitgenodigd om in de woonkamer te komen voorlezen uit de boeken van Rudolf Steiner. Zij zat dan dommelend naast het haardvuur, terwijl ik kennis nam van een wereldbeschouwing die mij, calvinist van huis uit, zo wezensvreemd was dat ik er alleen maar stomverbaasd over kon zijn. En wat je er ook tegen in kunt brengen; zeker is dat Steiner en al zijn volgelingen al in het begin van deze eeuw de milieuramp hebben voorzien die ons allen te eniger tijd zal wegvagen van deze planeet. Dankzij Steiner en zijn volgelingen is het stukje polder waarop ik woon nagenoeg het enige stukje Nederland waarop nog nooit kunstmest is gestrooid. Laat staan dat hier sprake zou kunnen zijn van een vervuilde bodem!’

Bron: Maarten ’t Hart – Een deerne in lokkend postuur – Persoonlijke kroniek 1999