Het karakteristieke kenmerk van de tegenwoordige antroposoof (deel 3 van 6)

Het hele uiterlijke leven echter, zoals het zich tegenwoordig aan ons voordoet, toont het beeld van een menselijke samenleving die tot stand is gekomen met uitsluiting, met ontkenning zelfs, van de idee van reïncarnatie en karma. En alsof men alle mogelijkheden heeft willen afsluiten, dat mensen door de ontwikkeling van hun eigen ziel tot een besef van reïncarnatie en karma zouden komen, zo is dat uiterlijke leven tegenwoordig ingericht. 

Niets staat bijvoorbeeld zo haaks op een werkelijk besef van reïncarnatie en karma als het maatschappelijk principe, dat ieder voor het concrete werk dat hij verricht een bijbehorend loon, dat het werk als het ware betaalt, zou moeten krijgen. Zoiets klinkt toch vreemd, niet waar, heel vreemd! Nu moet u de zaak ook weer niet zo bekijken dat de antroposofie nu onmiddellijk alle bestaande maatschappelijke principes overboord zou willen gooien en halsoverkop een nieuwe maatschappelijke orde zou willen invoeren. Dat kan niet. Maar de mensen zouden vertrouwd moeten raken met de gedachte dat in een maatschappij waarin de voorstelling ‘loon naar werken’ heerst, waarin ieder dus door zijn werk moet verdienen wat hij voor zijn leven nodig heeft, er nooit een diepgewortelde overtuiging van reïncarnatie en karma kan komen. 

Voorlopig moet de bestaande maatschappelijke orde natuurlijk zo blijven, want juist de antroposoof moet begrijpen dat het bestaande net zo goed door het karma is veroorzaakt, en dat het in dit opzicht terecht en onvermijdelijk bestaat. Maar hij moet evenzeer kunnen begrijpen dat zich als een nieuwe kiem binnen het organisme van onze maatschappij datgene ontwikkelt wat uit de erkenning van de idee van reïncarnatie en karma kan en moet volgen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 87-88)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 294-295). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front

Egoïsme/Armoede/ Ellende (8 van 11) – Scheiding van loon en arbeid

Dit principe, dat wat men persoonlijk krijgt of verkregen heeft, onafhankelijk maakt van het werk dat men voor de gemeenschap verricht, moet in het individuele mensenleven bewerkstelligd worden. En hoe wordt dit bewerkstelligd? Er is slechts een manier waardoor het bewerkstelligd kan worden, een manier die de zogenaamde practici zeer onpraktisch zal voorkomen. Er moeten redenen zijn waarom de mens toch werkt, en zelfs vlijtig en vol toewijding werkt, als niet meer het eigenbelang het motief voor zijn arbeid is. Iemand die een patent aanvraagt op een of andere uitvinding schept niets werkelijk goeds met betrekking tot het sociale leven en toont daarmee dat hij het eigenbelang voor het belangrijkste in het leven houdt.

Wie echter door zijn krachten tot goede prestaties komt en uitsluitend door liefde geleid wordt, door liefde voor de hele mensheid, die hij graag en gewillig zijn arbeid geeft, die schept werkelijk voor de samenleving. Daarom moet de impuls tot werken in iets geheel anders liggen als in de beloning. En dat is de oplossing voor sociale problemen: Scheiding van de beloning van de arbeid. Een wereldbeschouwing die op de geest gericht is, zal zulke impulsen in de mens wekken, dat hij niet meer zegt: Als mijn bestaan maar verzekerd is, dan kan ik ook lui zijn. – Dat hij dat niet zegt, dat kan alleen door een op de geest gerichte wereldbeschouwing bereikt worden. Alle materialisme zal op den duur enkel en alleen tot het tegenovergestelde leiden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 100-101)

 Eerder geplaatst op 21 januari 2012 

Egoïsme/Armoede/ Ellende (5 van 11) – Sociale vooruitgang is alleen mogelijk, als ik mijn arbeid in dienst van het geheel verricht

Als men dit tot in de laatste consequenties doordenkt, dan komt het iemand niet meer zo zonderling voor als de oeroude zin van de geesteswetenschap wordt uitgesproken, die vandaag de dag zo onbegrijpelijk als mogelijk klinkt: In een sociale samenleving moet het motief voor de arbeid nooit in de eigen persoon van de mens liggen, maar enkel en alleen in de toewijding aan het geheel. – Dat wordt ook vaker gezegd, maar nooit zo begrepen dat men helder inziet dat ellende en armoede voortkomen uit het feit dat de mens voor zijn werk een loon voor zichzelf wil hebben. Waar is echter dat werkelijke sociale vooruitgang alleen mogelijk is, als ik mijn arbeid in dienst van het geheel verricht en dat de gemeenschap mij geeft wat ik nodig heb, met andere woorden: dat mijn arbeid niet voor mijzelf dient.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 98-99)

Eerder geplaatst op 17 januari 2012 

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (2 van 6)

Ik heb het al vaker openlijk gezegd: De mens leeft reeds volgens het principe van het egoïsme, zodra hij het beginsel volgt: ik moet persoonlijk beloond worden; mijn werk moet mij betaald worden. Ofwel verborgen egoïsme: u moet persoonlijk beloond worden, want voor uw werk moet u ook betaald worden. Wij moeten er nu over denken of het werkelijk de arbeid is die voor ons levensonderhoud zorgt. Arbeid als zodanig heeft geheel geen belang, als deze niet verstandig geleid wordt! Alleen door mensen erin gelegde wijsheid is iets voort te brengen en te scheppen, wat de mensen dient. Wie dit niet begrijpt en ook maar in het geringste hiertegen zondigt, zondigt tegen het sociale denken in de tegenwoordige tijd. Dit te overdenken in alle mogelijke fasen, dat maakt het denken sterk. Wie –zoals de sociaaldemocraten- erover nadenkt hoe men werk creëert om de werkloosheid af te schaffen, die denkt in hoge mate onsociaal. Het komt er veel meer op aan dat arbeid uitsluitend voor mensen wordt aangewend om waardevolle goederen voort te brengen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 128)

Eerder geplaatst op 31 maart 2015

Dit is het wat ons economische leven vergiftigt

Een heel andere geest moet in ons economische leven komen. Deze geest zal vóór alles nieuw leven inblazen in het verband dat er bestaan moet tussen de mens en wat hij direct of indirect in de wereld produceert. Deze samenhang is voor veel takken van ons leven niet meer juist. Het is voor veel mensen onverschillig waaraan ze werken, hoe hetgeen waaraan ze werken zich in de sociale samenhang invoegt. Ze interesseren zich alleen voor hoeveel ze verdienen met hun werk, dat wil zeggen ze beperken alle interesse die ze in de uiterlijke, materiële wereld hebben tot de interesse in wat ze voor het bedrag aan geld kunnen hebben, aan wat ze in de situatie waarin ze in dit uiterlijke leven staan voor dit geld kunnen verkrijgen. Dit beperken tot de interesse in de verdiensten, niet in de zaak die gedaan wordt, dat is het wat in feite ons hele economische leven vergiftigt. Maar hier liggen ook de ernstige belemmeringen voor het begrip met betrekking tot de impuls van de driegeleding van het sociale organisme.

Bron: Rudolf Steiner – GA 337b – Soziale Ideen/Soziale Wirklichkeit/Soziale Praxis – Dornach, 10 oktober 1920 (bladzijde 206-207)