Liefde gaat boven mening

Liefde gaat boven mening. De meest verschillende meningen kunnen worden verdragen als mensen liefde voor elkaar hebben. Daarom is het logisch dat in het antroposofische wereldbeeld geen religie wordt aangevallen en op geen enkele religie bijzondere nadruk wordt gelegd, maar ze worden alle begrepen en er kan zich broederschap ontwikkelen ​​omdat de leden van de verschillende religies elkaar begrijpen.

Dit is een van de belangrijkste taken van de mensheid tegenwoordig en in de toekomst: dat mensen leren met elkaar te leven en elkaar te begrijpen. En zolang deze menselijke sociale gezindheid zich niet ontwikkelt, kan er geen sprake zijn van een occulte ontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor  dem  Tore  der  Theosophie – Stuttgart, 1 september 1906 (bladzijde 109-110)

occultists-rudolf-steiner-drawing-based-on-a-photograph-taken-in-1923-MC6FPB

Eerder geplaatst op 28 juli 2020  (9 reacties)

De doden / Veroordelen / Universele mensenliefde

We moeten niet geloven dat de dode niet een levendige interesse heeft in de mensen op aarde. Dat heeft hij, want de mensenwereld is een deel van de hele kosmos; ons leven maakt er deel van uit. En net zoals wij geïnteresseerd zijn in de ondergeschikte rijken in de fysieke wereld, zo zijn de doden intens geïnteresseerd in de menselijke wereld, en daar sturen ze hun impulsen naar toe; door de levenden werken ze op de wereld in. […]

Maar de dode ziet bovenal één ding heel duidelijk. Hij ziet hoe een mens, die impulsen van haat volgt, die een of ander haat vanuit louter persoonlijke bedoelingen; dat ziet de dode. Maar de dode moet door zijn manier van kijken, door wat hij kan weten, heel duidelijk het aandeel zien dat Ahriman hierin heeft, hoe Ahriman bijvoorbeeld de mens aanzet tot haat; de dode ziet Ahriman aan mensen werken.

Aan de andere kant, wanneer de mens hier op aarde ijdel is, ziet hij Lucifer aan hem werken. Dat is het essentiële punt dat de dode de mensen ziet in samenhang met de ahrimanisch-luciferische wereld. Daardoor valt voor de doden dat weg, wat ons menselijk oordeel vaak geheel en al kleurt. We zien deze of gene die we op de een of andere manier veroordelen; we schuiven hem in de schoenen, wat we afkeurenswaardig aan hem vinden. De dode verwijt het de mens niet onmiddellijk, maar hij ziet hoe de mens door Ahriman of Lucifer verleid is. 

Dit veroorzaakt wat we een afdemping kunnen noemen van de scherp gedifferentieerde gevoelens die we in ons fysieke aardse leven voor deze of gene persoon hebben. Voor de doden komt veel meer een soort universele menselijke liefde naar voren. Gelooft u niet dat de dode niet zou kunnen kritiseren, dat wil zeggen: het kwaad op de juiste manier zien. Hij ziet het wel; alleen hij kan het herleiden naar de oorsprongen, naar de samenhangen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden  und  Toten – Bern, 9 november 1916 (bladzijde 190-191)

rudolf-steiner-ga-168-die-verbindung-zwischen-lebe

Eerder geplaatst op 27 april 2020  (3 reacties)

Egoïstische liefde moet er ook zijn

De liefde, waarbij de oorzaak van de liefde niet bij de liefhebbende ligt, maar bij de geliefde, dat is de soort, de vorm van liefde in de zintuiglijke wereld die absoluut onvatbaar is voor enige Luciferische invloed. Maar als u nu naar het menselijk leven kijkt, zult u snel zien dat er ook een ander soort liefde in het menselijk leven speelt, de liefde waarbij men liefheeft omdat men zelf bepaalde eigenschappen heeft die zich bevredigd, verrukt, verheugd voelen als men van dit of dat wezen kan houden. Dan heeft men lief om zichzelf; men heeft dan lief omdat men zo of zo geaard is, en deze specifieke aard bevrediging voelt door het liefhebben van het andere wezen.

Ziet u, deze liefde, die een egoïstische liefde zou kunnen worden genoemd, moet er ook zijn. Deze mag in de mensheid niet ontbreken. Omdat alles wat we kunnen liefhebben in de geestelijke wereld, de geestelijke feiten, alles wat in ons kan door liefde als verlangen, als een drang omhoog in de geestelijke wereld kan leven om de wezens van de spirituele wereld te bevatten, de geestelijke wereld te kennen: het ontspringt natuurlijk ook vanuit de zintuiglijke liefde voor de geestelijke wereld. Maar deze liefde voor het geestelijke, die moet, niet alleen maar mag, maar moet noodzakelijkerwijs omwille van onszelf gebeuren. We zijn wezens die hun wortels hebben in de geestelijke wereld.

Het is onze plicht om onszelf zo volmaakt mogelijk te maken. Omwille van onszelf moeten we de geestelijke wereld liefhebben, zodat we vanuit de geestelijke wereld zoveel mogelijk kracht in ons eigen wezen kunnen brengen. In de geestelijke liefde is dit persoonlijke, individuele element, men zou kunnen zeggen, dit egoïstische element van liefde, volledig gerechtvaardigd, omdat het de mens uit de zintuiglijke wereld wegtrekt, het leidt hem omhoog in de geestelijke wereld, het leidt hem ertoe de noodzakelijke plicht te vervullen om zich steeds volkomener en volkomener te maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 147 – Die  Geheimnisse  der  Schwelle – München, 25 augustus 1913 (bladzijde 39-40)

5bab6d3770d0f

Eerder geplaatst op 9 april 2020  (5 reacties)

Sociale gevoelens in plaats van antisociale driften

Hoewel geesteswetenschap schijnbaar alleen maar intellectualistische begrippen ontwikkelt, geeft zij in deze  begrippen tegelijk werkelijkheden die sociale in plaats van antisociale stimulansen geven.

Men moet de wereld vanuit een ander gezichtspunt bekijken dan men gewoonlijk deed in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Men vond het lovenswaardig dat men zoveel over sociale eisen, over sociale belangen heeft gesproken. Voor wie de wereld beziet, is het slechts een teken dat men zo veel onsociaals in zich heeft. Net zoals degene die veel over liefde praat, meestal een liefdeloos wezen is, en degene die veel liefde in zich heeft, weinig over liefde spreekt, zo is degene die altijd over sociale kwesties praat – zoals dat juist in het derde deel van de negentiende eeuw gewoonte is geworden -, eigenlijk meestal geheel doortrokken van antisociale driften en instincten. 

Het sociale systeem dat zich in Oost-Europa voordoet, is niets anders dan de proef op de som van al het onsociale en antisociale leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 206 – Menschenwerden, Weltenseele  und  Weltengeist: Zweiter  Teil: Der  Mensch  als  geistiges  Wesen im  historischen  Werdegang – Dornach, 6 augustus 1921 (bladzijde 90-91)

rudolfsteinerlecture2011_13-2013_08_19-08_19_05-utc

Schilderij door David Newbatt

Eerder geplaatst op 3 januari 2020 (6 reacties)

Afwisseling in de verschillende incarnaties (2 van 2)

En het kan werkelijk niet vaak genoeg worden gezegd dat het niet genoeg is als antroposofen een offer willen brengen. Sommige mensen offeren graag en veel, maar om offers te brengen die bruikbaar zijn voor de wereld, moet een mens eerst de kracht hebben tot die offers. Voordat een mens zichzelf kan opofferen, moet hij eerst iets zijn, anders is het offer van het ik niet veel waard. In zeker opzicht is het ook een, zij het bedekt, soort egoïsme, een soort gemakzucht, als mensen er niet naar streven zich verder te ontwikkelen, als ze niet verder streven, opdat wat ze tot stand brengen ook iets waardevols is. 

Het zou kunnen lijken alsof wij liefdeloosheid preken, maar ik verzoek u dit niet verkeerd op te vatten. Het is zo dat antroposofen tegenwoordig vaak het verwijt krijgen van de omgeving: ‘Jullie streven ernaar innerlijk beter te worden, jullie ziel te vervolmaken. Jullie worden egoïsten!’ Nu moet worden toegegeven dat er veel grillen, gebreken en illusies kunnen opduiken bij dit streven van de mens naar volmaaktheid. We hoeven onszelf allerminst op de borst te slaan voor wat zich dikwijls onder antroposofen onder de noemer ontwikkeling voordoet. Achter dit streven gaat meestal een grote dosis ongeoorloofd egoïsme schuil. 

Anderzijds moet worden benadrukt dat wij in een tijd leven, in een cultuurperiode, waarin een enorme verspilling plaatsvindt van toegewijde offervaardigheid. Hoewel overal om ons heen ook liefdeloosheid heerst, wordt er tegelijkertijd ontzettend veel liefde en offervaardigheid verspild. Dat moet u niet misverstaan. We moeten ons realiseren dat liefde, wanneer ze in het leven zonder wijsheid en een juiste inschatting van de situatie wordt gehanteerd, volledig aan haar doel voorbij kan schieten en de mensheid zo meer tot schade dan tot nut kan zijn. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 98-99)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 305-306). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004