Over meditatie en slaperigheid

Het belangrijkste kenmerk van het gewone denken is dat elke activering van het denken het zenuwstelsel beïnvloedt, met name de hersenen; het vernietigt iets in de hersenen. Iedere alledaagse gedachte betekent een klein afbraakproces, in de cellen van het brein. Om deze reden is de slaap noodzakelijk voor ons, zodat dit vernietigingsproces weer kan worden hersteld. Tijdens de slaap herstellen we wat in ons zenuwgestel gedurende de dag door het denken afgebroken werd. Dat wat we bewust waarnemen in een gewone gedachte, is in feite een afbraakproces dat in ons zenuwstelsel plaatsvindt.

Nu proberen we de meditatie te ontwikkelen, doordat we ons bijvoorbeeld aan de volgende beschouwing overgeven: De wijsheid leeft in het licht. Dit idee kan niet afkomstig zijn van zintuiglijke indrukken, omdat het voor de uiterlijke zintuigen niet het geval is dat de wijsheid in het licht leeft. In dit geval houden we door de meditatie de gedachte zo ver terug dat hij zich niet met de hersenen verbindt. Als we op deze wijze een innerlijke denkactiviteit ontwikkelen, die niet met de hersenen is verbonden, dan zullen we door de werkingen van een dergelijke meditatie op onze ziel voelen dat we op de goede weg zijn.

Doordat we bij het meditatieve denken geen afbraakproces in ons zenuwgestel oproepen, maakt dit meditatieve denken ons nooit slaperig – al wordt het ook nog zo lang voortgezet -, wat ons gewone denken gemakkelijk doen kan. Het is waar dat vaak juist het tegenovergestelde gebeurt, als men mediteert, want de mensen beklagen zich vaak dat ze bij de meditatie meteen inslapen. Maar dat komt doordat de meditatie nog niet volkomen is. Het is heel natuurlijk dat we bij de meditatie in eerste instantie de wijze van denken gebruiken waaraan we anders altijd gewend waren. Slechts langzamerhand wennen we eraan om met het uiterlijke denken op te houden. Als we dit punt bereikt hebben, dan zal het meditatieve denken ons niet meer slaperig maken, en zo zullen we weten dat we op de goede weg zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 152 – Vorstufen zum Mysterium von Golgatha – Londen, 1 mei 1913 (bladzijde 25-26)

Eerder geplaatst op 21 oktober 2017  (6 reacties)

wisdom lightbulb
lightbulb with creative light source represent wisdom and idea

Het onderscheid tussen ingewijde en helderziende

Degene die, zonder zelf helderziend te zijn, alles inziet wat de geesteswetenschap te zeggen heeft, is een ingewijde. Wie echter zelf kan binnengaan in deze werelden, die we de onzichtbare noemen, is een helderziende. In vroegere tijden, die nog helemaal niet zo lang achter ons liggen, bestond in de geheime scholen een strikte scheiding tussen helderzienden en ingewijden. Men kon als ingewijde, zonder helderziend te zijn, opstijgen tot de kennis van hogere werelden, als men slechts zijn verstand op de juiste wijze gebruikte.

Aan de andere kant kon iemand helderziende zijn zonder in bijzonder hoge graad ingewijd te zijn. Het zal u wel duidelijk zijn wat wordt bedoeld. Stelt u zich twee mensen voor, een zeer geleerde heer, die al het mogelijke weet wat de natuurkunde en de fysiologie over het licht en de lichtfenomenen te zeggen hebben, maar echter zo slechtziend is dat hij nauwelijks tien centimeter ver kan zien: hij ziet niet veel, is echter ingewijd in de wetten van de werkingen van het licht.

Evenzo kan iemand ingewijd zijn in de bovenzinnelijke wereld en slecht daarin zien. Een ander kan uitstekend zien in de uiterlijke zintuiglijke wereld, maar zo goed als niets weten van wat de geleerde heer weet. Zo kunnen er ook helderzienden zijn bij wie voor hun geestelijke ogen de bovenzinnelijke werelden geopend zijn. Zij kunnen waarnemen in de geestelijke wereld, maar hebben geen wetenschap, geen kennis daarvan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 10 oktober 1907 (bladzijde 26)

Steiner1922

Eerder geplaatst op 8 mei 2017  (5 reacties)

Materie is de uiterlijke verschijningsvorm van geest

Wat materie is, verhoudt zich tot geest zoals ijs tot water. Lost u het ijs op, dan is het water. Lost u materie op, dan verdwijnt ze als materie en wordt geest. Alles wat materie is, is geest, is de uiterlijke verschijningsvorm van geest. Het zal nog lang duren tot men deze laatste consequentie moet trekken dat niet het oog het licht, maar het licht het oog gevormd heeft, en de tonen die we horen het oor. Dan zal men ertoe komen, in te zien dat alle materie uit de geest geboren is, en men zal de natuurwetenschappelijke feiten, zonder logische onderbreking, in de geesteswetenschap over leiden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 17 oktober 1907 (bladzijde 59-60)

Eerder geplaatst op 20 maart 2015

Een kamer zonder licht

Alles wat we bedenken en ook praktisch kunnen invoeren aan externe instellingen, en wat we nog meer uitdenken in de vele programma’s (Duits: Schemen) die er vandaag de dag zijn over het sociale leven, dat lijkt voor iemand die moraliteit in het licht van spirituele kennis ziet zodanig dat hij zegt: De sociale kwestie behandelen zonder de morele kwestie is alsof  men een kamer zonder licht heeft en de objecten daarin moet zoeken zonder dat er licht in is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 – Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus: Erziehungs- und Unterrichtsfragen – Londen, 19 november 1922 (bladzijde 241)

P.S. Met andere woorden: Men krijgt nooit een betere, socialere wereld als de mensen zelf niet verbeteren.

Over meditatie en slaperigheid

Het belangrijkste kenmerk van het gewone denken is dat elke activering van het denken het zenuwstelsel beïnvloedt, met name de hersenen; het vernietigt iets in de hersenen. Iedere alledaagse gedachte betekent een klein afbraakproces, in de cellen van het brein. Om deze reden is de slaap noodzakelijk voor ons, zodat dit vernietigingsproces weer kan worden hersteld. Tijdens de slaap herstellen we wat in ons zenuwgestel gedurende de dag door het denken afgebroken werd. Dat wat we bewust waarnemen in een gewone gedachte, is in feite een afbraakproces dat in ons zenuwstelsel plaatsvindt.

Nu proberen we de meditatie te ontwikkelen, doordat we ons bijvoorbeeld aan de volgende beschouwing overgeven: De wijsheid leeft in het licht. Dit idee kan niet afkomstig zijn van zintuiglijke indrukken, omdat het voor de uiterlijke zintuigen niet het geval is dat de wijsheid in het licht leeft. In dit geval houden we door de meditatie de gedachte zo ver terug dat hij zich niet met de hersenen verbindt. Als we op deze wijze een innerlijke denkactiviteit ontwikkelen, die niet met de hersenen is verbonden, dan zullen we door de werkingen van een dergelijke meditatie op onze ziel voelen dat we op de goede weg zijn.

Doordat we bij het meditatieve denken geen afbraakproces in ons zenuwgestel oproepen, maakt dit meditatieve denken ons nooit slaperig – al wordt het ook nog zo lang voortgezet -, wat ons gewone denken gemakkelijk doen kan. Het is waar dat vaak juist het tegenovergestelde gebeurt, als men mediteert, want de mensen beklagen zich vaak dat ze bij de meditatie meteen inslapen. Maar dat komt doordat de meditatie nog niet volkomen is. Het is heel natuurlijk dat we bij de meditatie in eerste instantie de wijze van denken gebruiken waaraan we anders altijd gewend waren. Slechts langzamerhand wennen we eraan om met het uiterlijke denken op te houden. Als we dit punt bereikt hebben, dan zal het meditatieve denken ons niet meer slaperig maken, en zo zullen we weten dat we op de goede weg zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 152 – Vorstufen zum Mysterium von Golgatha – Londen, 1 mei 1913 (bladzijde 25-26)

Eerder geplaatst op 1 januari 2017