Lichaam / Ziel / Geest

Drie dingen bepalen de levensloop van een mens tussen geboorte en dood. En daardoor is hij op drieërlei wijze afhankelijk van factoren die voorbij  geboorte en dood liggen. Het lichaam is onderworpen aan de wet van de  erfelijkheid; de ziel is onderworpen aan het zelfgeschapen lot. Men noemt dit door de mens geschapen lot met een oude uitdrukking zijn karma. En de geest moet gehoorzamen aan de wet van de  wederbelichaming, van de herhaalde aardelevens. – Je kunt dienovereenkomstig de verhouding tussen geest, ziel en lichaam ook als volgt uitdrukken: onvergankelijk is de geest; geboorte en dood beheersen het lichaam volgens de wetten van de fysieke wereld; het zielsleven, dat onderworpen is aan het lot, is de bemiddelaar die tijdens de levensloop op aarde geest en lichaam in samenhang brengt. Alle verdere kennis omtrent het wezen van de mens veronderstelt bekendheid met de ‘drie werelden’ waartoe hij behoort.

Bron (Duits): Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Wiederverkörperung  des Geistes und  Schicksal  (Reinkarnation  und Karma) bladzijde 39

Nederlands: Theosofie – Over de wetenschap van het bovenzinnelijke en het wezen van de mens: Wederbelichaming van de geest en levenslot (reïncarnatie en karma) blz. 73

Vertaald door Huib van Krimpen met een nawoord van Roel Munniks 

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1994 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen Tweede druk 1998 Derde druk 2005 Vierde druk 2014 (oplage februari 2018)

geest-ziel-lichaam-2-728

Over erven van talenten en vaardigheden (2 van 3)

Daarentegen kan niemand op zijn nakomelingen overdragen, wat met het eigenlijke geestelijke wezen van de mens samenhangt, dus bijvoorbeeld de scherpte en nauwkeurigheid van zijn gedachteleven, de betrouwbaarheid van zijn geheugen, de morele geaardheid (Duits: den moralischen Sinn), de verworven kennis- en kunstvaardigheden enzovoort. Dit zijn eigenschappen die binnen zijn individualiteit besloten blijven en in zijn volgende incarnaties als vermogens, aanleg, karakter enzovoort tevoorschijn komen.

Nu is echter de omgeving waarin de reïncarnerende mens binnenkomt, niet toevallig, maar deze staat in een noodzakelijk verband met zijn karma. Stel bijvoorbeeld, een mens heeft in zijn vroegere leven de aanleg tot een moreel sterk karakter verworven. Het ligt in zijn karma dat deze aanleg bij een wederbelichaming tevoorschijn komt. Dit zou echter onmogelijk kunnen, als hij niet in een lichaam zou worden geboren die van zeer bepaalde kwaliteit (Duits: Beschaffenheit) is. Deze lichamelijke gesteldheid moet echter van de voorouders geërfd zijn. 

De zich incarnerende individualiteit streeft nu door een in hem aanwezige aantrekkingskracht naar de ouders die hem het geschikte lichaam kunnen geven. Dit vloeit voort uit het feit dat deze individualiteit zich al voor de reïncarnatie verbindt met de krachten van de zielenwereld (Duits: Astralwelt), die naar bepaalde fysieke omstandigheden toestreven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908/ GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE – oktober 1904 (bladzijde 371-372)

Eerder geplaatst op 2 november 2017

rudolf-steiner-ga-34-lucifer-gnosis-grundlegende-a

Mensen zullen zeggen: Het is pathologisch om ooit aan geest en ziel te denken

Zoals indertijd bij het concilie van Constantinopel (869 n. Chr.) de geest afgeschaft is, dat wil zeggen zoals men dogmatisch bepaald heeft: De mens bestaat slechts uit lichaam en ziel, van een geest te spreken is ketters -, zo zal men in een andere vorm nastreven om de ziel, het zielenleven af te schaffen.

En de tijd zal komen, misschien in een niet zo verre toekomst, waar bij een dergelijk congres zoals dat in 1912 heeft plaatsgevonden, nog geheel andere dingen zich zullen ontwikkelen, waarbij nog heel andere tendensen zullen opkomen, waar men zeggen zal: Het is al ziekelijk bij een mens, als hij aan ziel en geest denkt. Gezond zijn alleen de mensen die alleen maar van lichaam spreken. – Men zal het als een symptoom van een ziekte zien, als een mens zich zo ontwikkelt dat hij op het begrip komen kan: Er bestaat een geest of een ziel. – Dat zullen zieke mensen zijn. En men zal – daar kunt u zeker van zijn – een geschikt medicijn vinden dat men gebruiken zal. Indertijd schafte men de geest af. De ziel zal men afschaffen door een medicijn. Men zal door een “gezond inzicht” een vaccin vinden, waarmee het organisme zo bewerkt wordt in de zo vroeg mogelijke jeugd, zo mogelijk meteen bij de geboorte, dat dit menselijk lichaam niet op de gedachte komt: Er bestaat een ziel en een geest.

Zo scherp zullen de beide wereldbeschouwingsstromingen tegenover elkaar komen te staan. De ene zal nadenken over hoe begrippen en ideeën te vormen, opdat zij de echte werkelijkheid, de geest- en zielwerkelijkheid weergeven (Duits: gewachsen sind). De anderen, de volgelingen van het hedendaagse materialisme, zullen het vaccin zoeken dat het lichaam “gezond” maakt, dat wil zeggen: zo maakt, dat dit lichaam door zijn constitutie niet meer over zulke dwaze dingen praat als ziel en geest, maar “gezond” spreekt over de krachten, die in machines en chemicaliën leven, die in de wereldnevel planeten en zonnen vormen. Dat zal men door fysieke procedures teweegbrengen. Aan de materialistische medici zal men het overlaten om de zielen uit de mensheid te verdrijven.

Ja, degenen die geloven dat men met luchthartige begrippen in de toekomst kan zien, die vergist zich zeer. Met ernstige, grondige, diepe begrippen moet men in de toekomst zien. Geesteswetenschap is niet een fantasterij (Duits: Spielerei), is niet zomaar een theorie, maar geesteswetenschap is tegenover de evolutie van de mensheid een werkelijke verplichting.

Veel-mensen-vergeten

Bron: Rudolf Steiner – GA 177 – Die spirituellen Hintergründe der äußeren Welt/Der Sturz der Geister der Finsternis – Dornach, 7 oktober 1917 (bladzijde 97-98)

Eerdere geplaatst op 8 januari 2017 (8 reacties)

De tegenwoordige kennis beschouwt alleen de buitenkant

Met betrekking tot de menselijke kennis van de tegenwoordige tijd moet men zeggen dat ze eigenlijk zo verkregen is alsof men een horloge zou willen leren begrijpen, dat men alleen van de buitenkant bekijkt. Men kan leren hoe de tijd wordt aangegeven aan de hand van dit horloge, men kan ook leren kennen of het van goud of zilver is, maar men kan daardoor echter niet horlogemaker worden. 

Nu, ook datgene wat we tegenwoordig biologie, fysiologie, anatomie noemen, is toch slechts een beschouwing van de mens van de buitenkant. Een werkelijk doorzien van de menselijke natuur ontstaat pas dan, als de mens naar lichaam, ziel en geest wordt beschouwd. Pas een dergelijke kennis naar lichaam, ziel en geest geeft de mogelijkheid de mensen ook op overeenkomstige wijze te behandelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 303 – Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens -Eine Einführung in die anthroposophische Pädagogik und Didaktik – Dornach, 2 januari 1922 (bladzijde 199)

Eerder geplaatst op 21 juli 2016 (2 reacties)

In essentie is denken geen hersenproces

Niets van wat de mens hier op aarde ervaart, kan worden ervaren zonder op het lichamelijke te steunen. Men zou bijvoorbeeld heel gemakkelijk kunnen geloven dat het denken een zuiver geestelijke handeling is en dat het, zoals het op aarde in de menselijke ziel gebeurt, niets te maken heeft met het lichamelijk bestaan. Dat is in zeker opzicht juist. Maar hoe geestelijk op zichzelf staand het denken van de mens ook is, dit denken zou hier in het aardse bestaan niet kunnen verlopen als de mens niet op zijn lichaam en zijn processen zou kunnen steunen. 

Ik zal een vergelijking gebruiken, die ik bij deze gelegenheid al vaker heb gebruikt. Als een mens over de aardbodem loopt, heeft de aarde beslist niets wezenlijks dat de mens bepaalt; de mens draagt het wezenlijke in zichzelf (Duits: innerhalb seiner Haut sein wesentliches). Maar de mens zou als fysieke mens zonder de steun van de bodem helemaal niet in het fysieke bestaan kunnen zijn.

En zo is het met het denken dat leeft als proces van de ziel. Het is naar zijn wezen zeker niet een of ander hersenproces, maar het zou niet kunnen verlopen als het de hersenen niet als ondersteuning had hier in het fysieke leven. Alleen als men in dit licht de zaak bekijkt, heeft men een juiste voorstelling van de geest en ook van de fysieke geconditioneerdheid van het menselijk denken. Kortom, er is niets in de mens hier in het aardse bestaan dat zou kunnen bestaan zonder de steun van het lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 –  Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des  menschlichen Organismus – Stuttgart, 4 december 1922 (bladzijde 266)