Zichtbare wereld / Onzichtbare wereld

Zoals er geen leven in de gewone zin mogelijk is zonder de dood, zo is geen werkelijk begrip van de zichtbare wereld mogelijk zonder inzicht in het bovenzinnelijke. Alle kennis van het zichtbare moet steeds weer in het onzichtbare onderduiken om zich te kunnen ontwikkelen. Zo wordt duidelijk dat de kennis van de openbare werkelijkheid pas leven krijgt door de wetenschap van het bovenzinnelijke; deze verzwakt het leven nooit wanneer ze in haar ware gestalte opduikt; ze versterkt het en maakt het steeds weer fris en gezond, wanneer het, op zichzelf aangewezen, zwak en ziek is geworden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 81-82)

Nederlandstalige bron: De wetenschap van de geheimen der ziel / Slaap en dood (blz. 48)

Vertaald door Wijnand Mees

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten

© 1998 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

Tweede druk 2004 / Derde druk 2011 / Vierde druk 2019

748x1200

De antroposofie wil niet alleen kennis overbrengen

Je zou de theoretische antroposofie kunnen vergelijken met een foto. Als je heel graag iemand wilt leren kennen die je ooit eens hebt ontmoet, of met wie je door het een of ander in contact bent gebracht, en je krijgt alleen een foto. Men kan misschien plezier beleven aan de foto; maar men kan niet warm worden van de foto omdat het levende van deze mens er niet bij aanwezig is.

Theoretische antroposofie is een foto van wat antroposofie eigenlijk wil zijn, en zij wil iets levends zijn. En zij wil eigenlijk de woorden, begrippen, ideeën gebruiken om iets levends vanuit de geestelijke wereld in de fysieke wereld te laten schijnen. De antroposofie wil niet alleen kennis overbrengen, ze wil leven wekken.

Rudolf Steiner – GA 234 – ANTHROPOSOPHIE – Eine Zusammenfassung nach einundzwanzig Jahren – Dornach, 3 Februar 1924 (Seite 114-115)

dded2bb2acc255e911c54aae3323efb5-1

Filisters zijn even nodig als kunstenaars

Het zou een slechte zaak zijn als er alleen maar mensen zouden zijn, die kunstenaar zijn, of als al diegenen die geloven dat ze als kunstenaar erkenning zouden moeten krijgen, werkelijk erkenning zouden krijgen. Ik zou wel willen weten wat er dan van het leven terecht zou moeten komen. Genialiteit is weliswaar noodzakelijk voor het leven, maar ook burgerlijkheid (Philistrosität) is noodzakelijk voor het leven. En zou er geen burgerlijkheid bestaan, dan zou er waarschijnlijk ook zeer spoedig geen genialiteit meer bestaan. De categorieën “goed” en “slecht” kan men niet zo zonder meer in het leven laten gelden, want het leven is veelvormig. Praten kan men veel, maar men zou eigenlijk niet anders moeten praten dan over wat aan het leven zelf ontleend is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 337b – Soziale Ideen/Soziale Wirklichkeit/Soziale Praxis – Dornach, 30 augustus 1920 (bladzijde 109)

Vivisectie

De vivisectie is voortgekomen uit de materialistische manier van denken, die iedere intuïtie vreemd is, die niet kan kijken naar de geestelijke krachten in het leven (Duits: das Getriebe des Lebens). Deze denkwijze moet het lichaam zien als een mechanisch samenspel van de afzonderlijke delen. Dan is het natuurlijk dat men naar dierexperimenten grijpt, waarbij men gelooft dat hetzelfde samenspelen plaatsvindt als bij mensen, om bepaalde pathologische processen te onderscheiden en te bestrijden. Alleen wie niets weet van het werkelijke leven, kan vivisectie bedrijven.

Er zal een tijd komen dat de mensen het leven van elk levend wezen in samenhang met het leven van het hele universum zullen doorzien. En dan zullen de mensen eerbied krijgen voor het leven. Dan zullen ze leren inzien: Ieder genomen leven, elk leed, dat een levend wezen wordt toegevoegd, werkt door de samenhang die tussen leven en leven bestaat, tot verlaging (Duits: Herabstimmung) van de edelste krachten van onze eigen menselijke natuur.

Bron: Rudolf Steiner – GA 053 – Ursprung und Ziel des Menschen – Berlijn 25 mei 1905 (bladzijde 472-473)

Eerder geplaatst op 17 februari 2012.

Broederlijkheid: Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft

Antroposofie bloeit alleen op de bodem van de broederlijkheid, ze kan in het geheel niet anders volgroeien dan in de broederlijkheid, die voortkomt uit wat de individuele mens aan de anderen geeft, wat hij heeft en wat hij kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 211 – Das Sonnenmysterium und das Mysterium von Tod und Auferstehung – Wenen 11 juni 1922 (bladzijde 211)