Over examens voor leraar/onderwijzer

Men examineert tegenwoordig degenen die leraar willen worden erop of ze dit of dat weten. Maar wat stelt men daardoor vast? In de regel toch alleen maar dat de persoon in kwestie een keer in de tijd voordat hij het examen afleggen moet iets in zijn hoofd gehamsterd heeft, wat hij, als hij enigszins geschikt is, voor ieder afzonderlijk lesuur ook uit zo en zo veel boeken zou kunnen lezen, wat men zich dag voor dag voor het onderwijs eigen zou kunnen maken, waarvoor het helemaal niet noodzakelijk is het op deze manier te verwerven, zoals het tegenwoordig wordt gedaan. 

Wat echter vóór alles bij een dergelijk examen nodig zou zijn, is dat men te weten zou moeten komen of de betrokken persoon hart en gevoel heeft, of hij er aanleg voor heeft (Duits: ob er das Blut dafür hat), geleidelijk een goede verhouding tussen zichzelf en de kinderen tot stand te brengen. Niet de kennis zou men door het examen moeten onderzoeken, maar men zou moeten nagaan hoe sterk en hoe veel de persoon mens is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 26 maart 1918 (bladzijde 136)

Eerder geplaatst op 30 september 2016  (2 reacties)

Grote schade

Het is een grote, een immense schade als de kinderen de overtuiging kunnen krijgen dat anderen de lieveling van de leraar zijn. Dat moet onder alle omstandigheden absoluut vermeden worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 310 – Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik – Arnhem, 22 juli 1924 (bladzijde 110)

Eerder geplaatst op 30 september 2015

Over leren lezen en schrijven (2 van 3)

Als men hier verder over nadenkt, dan ontwikkelen zich andere opvattingen zoals we op merkwaardige wijze kunnen ervaren. Iedereen die van Goethe wat weet, kan ook weten: Als men met wat een twaalfjarige jongen aan eisen op school gesteld worden naar Goethe kijkt en je afvraagt, heeft Goethe dit werkelijk zo gekund? – dan zal men zien dat hij dit niet eens kon op zestienjarige leeftijd, en toch werd hij Goethe.

Oostenrijk had een belangrijke dichter, Robert Hamerling. Natuurlijk had hij zich in zijn jeugd niet voorgenomen dichter te worden, dat deed zijn genialiteit (Duits: das machte sein Genie), maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij had het examen voor leraar afgelegd. In zijn getuigschrift staat dat hij een buitengewoon goede kennis van het Latijn en het Grieks had, dat hij echter niet in staat was de Duitse taal te hanteren en dat hij alleen voor het onderricht van de lagere klassen deugde. Maar hij werd de belangrijkste recente dichter in Oostenrijk. Hij heeft in de Duitse taal en niet in de Slowaakse taal geschreven.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 298 – Rudolf Steiner in der Waldorfschule / Vorträge und Ansprachen für die Kinder, Eltern und Lehrer in der Waldorfschule Stuttgart 1919-1924 – Stuttgart, 9 mei 1922 (bladzijde 129-130)

Woede

De woede is iets wat de mens in eerste instantie geheel niet in de hand heeft. Slechts beetje bij beetje kan men zich het woedend worden afwennen. Dat kan alleen langzaam gaan en de mens moet geduld met zichzelf hebben. Als men gelooft dit in een handomdraai voor elkaar te kunnen krijgen, dan moet ik de anekdote herhalen van een leraar die het er bijzonder veel aan gelegen was om bij zijn schoolkinderen de boosheid uit te drijven. En toen hij na voortdurende pogingen in dit opzicht het beleefde dat een jongen toch woedend werd, hij zelf zo kwaad werd dat hij het kind de inktpot naar het hoofd gooide.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Leipzig, 5 november 1911 (bladzijde 128)

Eerder geplaatst op 29 juni 2014

Leraar/Leerling

Wie niet het zekere weten in zich draagt dat hij zo nuchter, zo “wetenschappelijk” denken kan als de meest nuchtere astronoom of planten- en dierenonderzoeker, die zou in dingen van het spirituele leven, in bovenzinnelijke inzichten alleen een lerende, geen leraar, mogen zijn. […] Niemand zou leraar moeten willen zijn, die niet het meest nuchtere verstand en de strengste wetenschappelijke discipline uitoefenen kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – Gesammelte Aufsätze – 1903 (bladzijde 35)

Eerder geplaatst op 26 april 2016