Het geloof dat alle mensen hen schade of kwaad willen berokkenen, zal het meeste bij egoïstische naturen ontstaan  

Wie door het leven gaat en zijn blik een weinig helderziende heeft laten maken door de spirituele wetenschap, die zal altijd zien – vanzelfsprekend zijn er redenen om over liefdeloosheid te klagen, maar niettemin zal men zien -, dat het meeste over liefdeloosheid wordt geklaagd door degenen, die eigenlijk egoïsten zijn; en het geloof dat alle mensen hen schade of kwaad willen berokkenen, zal het meeste bij egoïstische naturen ontstaan, terwijl naturen die van zichzelf liefdevol en in staat tot liefde zijn, niet gemakkelijk tot het geloof komen dat ze vervolgd worden, dat men hen alle mogelijke kwaad wil doen enzovoort.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 275 – Kunst im Lichte der Mysterienweisheit – Dornach, 3 januari 1915 (bladzijde 143-144)

Eerder geplaatst op 12 februari 2015

Waarom komt men zo veel ruzie, conflicten, haat tegen? (3 van 10)

Zou de mens zich niet kunnen vergissen, dan zou hij geen mens zijn. Dit is hij doordat hij niet als een slaaf van een onfeilbare natuurlijke orde, maar uit eigen vrije keuze zijn handelingen kan volbrengen. De mogelijkheid om in dwalingen en fouten te vervallen geeft hem zijn menselijke waardigheid, maar maakt hem ook tot veroorzaker van onmetelijk veel kwaad en ellende. Hoe dieper men doordringt in de antroposofie, hoe meer men de samenhang ontdekt tussen de dwaling en het kwaad. Zo waar als het is, dat al het zintuiglijke en materiële uit de geest voortkomt, zo waar is het ook dat al het kwaad in de aardse wereld uit de dwalingen van de geest voortkomt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 176-177)

De menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen het kwade uit te den­ken

Onze in­telligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intel­ligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeu­wen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders wor­den. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelli­gentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.

De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitenge­woon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te den­ken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intel­ligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wan­neer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst wil­len zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ont­wikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.

Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwik­keling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schou­wen uit de geestelijke wereld haalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 16 augustus 1919 (bladzijde 89-90)

Overgenomen uit het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave (bladzijde 101-102). Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Eerder geplaatst op 9 november 2014 

Het geloof dat alle mensen hen schade of kwaad willen berokkenen, zal het meeste bij egoïstische naturen ontstaan

Wie door het leven gaat en zijn blik een weinig helderziende heeft laten maken door de spirituele wetenschap, die zal altijd zien – vanzelfsprekend zijn er redenen om over liefdeloosheid te klagen, maar niettemin zal men zien -, dat het meeste over liefdeloosheid wordt geklaagd door degenen, die eigenlijk egoïsten zijn; en het geloof dat alle mensen hen schade of kwaad willen berokkenen, zal het meeste bij egoïstische naturen ontstaan, terwijl naturen die van zichzelf liefdevol en in staat tot liefde zijn, niet gemakkelijk tot het geloof komen, dat ze vervolgd worden, dat men hen alle mogelijke kwaad wil doen enzovoort.

Bron: Rudolf Steiner – GA 275 – Kunst im Lichte der Mysterienweisheit – Dornach, 3 januari 1915 (bladzijde 143-144)

Eerder geplaatst op 6 maart 2013

 

Het kwaad en hindernissen: waar is het goed voor?

De ontwikkeling verloopt zo dat de mens zich steeds weer om zo te zeggen obstakels in de weg legt. […] Men mag niet zo denken, dat men zegt: het zou beter zijn voor de mens, als hij zich geen hindernissen in de weg legde. Doordat hij zich hindernissen en belemmeringen in de weg legt, wordt hij sterk, doet hij ervaring op. Doordat hij de obstakels die hij zichzelf in de weg heeft gelegd, ook weer elimineert en overwint, wordt hij pas het sterke wezen aan het eind van de aardeontwikkeling, dat hij moet worden. Het is beslist in de zin van de evolutie van de aarde gelegen, dat hij zichzelf stenen in de weg legt. En zou hij zich geen kracht moeten veroveren om de barrières weer uit de weg te ruimen, dan zou hij die kracht ook niet verkrijgen. Dat wil zeggen: de wereld zou deze kracht die hij daardoor ontwikkelt, kwijt raken (Duits: verlustig gehen). We moeten er geheel van afzien wat er aan goed en kwaad met zulke hindernissen en weerstanden verbonden is. We moeten er alleen naar kijken, dat de wijsheid van de wereld vanaf het begin in de menselijke aardeontwikkeling erop gericht is de mensen de mogelijkheid te bieden om zich hindernissen in de weg te kunnen leggen, opdat hij ze weer uit de weg kan ruimen en dan de grote, sterke kracht voor later in de wereld kan hebben. Men zou zelfs kunnen zeggen: De wijsheid der wereldleiding heeft de mensen slecht laten worden, heeft hem de mogelijkheid van het kwaad, van het schade aanrichten gegeven, zodat hij door het goedmaken van de schade, in de overwinning van het kwaad, in het verloop van de karmische ontwikkeling een sterker wezen wordt, als hij anders geworden zou zijn, wanneer hij als vanzelf zijn doel zou bereiken. Zo moet men het belang en de rechtvaardiging van tegenwerkingen en hindernissen zien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn, 26 januari 1909 (Bladzijde 207-208)

Eerder geplaatst op 22 september 2012