Geen ingenieurskunst ter wereld kan zoiets namaken

Welk een ontzaglijke wijsheid behoort ertoe om het meest eenvoudige fysieke lichaam van een levend wezen op te bouwen, laat staan het meest ingenieuze meesterwerk van alle aardse levende wezens: het menselijk lichaam! 

Bekijkt u bijvoorbeeld eens het menselijk dijbeen in zijn bovendelen, hoe wonderbaarlijk naar alle regels van de bouwkunst de afzonderlijke beenbalkjes samengesteld zijn! Het dijbeen is juist op deze plaats een veel gecompliceerder bouwwerk dan het ons op het eerste gezicht lijkt; het is samengesteld uit een opstelling van balken, die in hun hoekstand ten opzichte van elkaar zo vol wijsheid samengevoegd zijn, dat met de kleinste hoeveelheid van materie bereikt is dat het gehele lichaam gedragen kan worden. Werkelijk een groter kunstwerk dan de meest gecompliceerde bruggenbouw, en geen ingenieurskunst ter wereld kan zoiets namaken.

Of bekijkt u de bouw van het hart; het is zo vol wijsheid gebouwd, dat de mens met al zijn wijsheid echt een kind is vergeleken met de wijsheid die zich daarin onthuld. En wat houdt dit menselijk hart allemaal uit, ondanks dat de dwaasheid van de mens het bijna dagelijks probeert te ruïneren, bijvoorbeeld door onze zogenaamde genotmiddelen, koffie, alcohol, nicotine.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-  Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 17 juni 1907 (bladzijde 35)

Eerder geplaatst op 2 augustus 2017 (2 reacties)

dijbeen

Hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert?

Dikwijls vraagt men: Ja, hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert? Wie zo vraagt en, omdat de gewoonlijke manier van bewijzen in de antroposofie niet aanwezig is, de wetenschappelijkheid van de antroposofie betwist, die bedenkt niet het volgende – ik kan deze dingen alleen bij benadering uiteenzetten, maar ze gelden in de meest nauwkeurige, exacte zin – : Degene die om bewijzen vraagt, toont daarmee aan dat voor hem datgene wat moet worden bewezen, niet aanschouwelijk is. Wij bewijzen eigenlijk overal wanneer wij geen waarneming hebben. Moet ik bewijzen dat gisteren hier in deze kamer een mens was, dan zal ik een bewijs alleen dan nodig hebben, als ik die mens niet zelf heb gezien. Zo is het in principe met alle bewijzen, zo is het ook in de historische ontwikkeling van de mensheid met de bewijzen.

In de tijden dat de mensen met oudere, instinctieve kennis een aanschouwing hadden van wat zij het goddelijke wezen noemden, hadden ze geen bewijzen nodig. De bewijzen voor het bestaan van God begonnen hun leven in de ontwikkeling der geschiedenis pas toen de eigen waarneming was verloren. Bewijzen beginnen overal pas wanneer er geen aanschouwing is. De antroposofische methode bestaat echter erin dat men de mensenziel zo voorbereid dat zij dan tot aanschouwing komt. Wanneer deze dan beschreven wordt – dat is het eigenaardige van de antroposofie -, dan kan zij in de vorm van het gezonde mensenverstand gebracht en eveneens begrepen worden, zoals een niet-kunstenaar een kunstwerk begrijpen kan, hoewel hij het niet maken kan. Men kan daarom niet tegenwerpen dat antroposofie met het gezonde mensenverstand niet zou kunnen worden begrepen. Onderzocht kan ze alleen worden door degene die zelf kan zien en onderzoeken. Begrepen worden kan ze echter door een ieder, die zijn gezonde mensenverstand zonder vooroordeel gebruiken wil.

Bron: Rudolf Steiner – GA 82 – Damit der Mensch ganz Mensch werde – Den Haag, 12 april 1922 (bladzijde 200-202)

Eerder geplaatst op 24 juni 2012

Hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert?

Dikwijls vraagt men: Ja, hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert? Wie zo vraagt en, omdat de gewoonlijke manier van bewijzen in de antroposofie niet aanwezig is, de wetenschappelijkheid van de antroposofie betwist, die bedenkt niet het volgende – ik kan deze dingen alleen bij benadering uiteenzetten, maar ze gelden in de meest nauwkeurige, exacte zin – : Degene die om bewijzen vraagt, toont daarmee aan dat voor hem datgene wat moet worden bewezen, niet aanschouwelijk is. Wij bewijzen eigenlijk overal wanneer wij geen waarneming hebben. Moet ik bewijzen dat gisteren hier in deze kamer een mens was, dan zal ik een bewijs alleen dan nodig hebben, als ik die mens niet zelf heb gezien. Zo is het in principe met alle bewijzen, zo is het ook in de historische ontwikkeling van de mensheid met de bewijzen. In de tijden dat de mensen met oudere, instinctieve kennis een aanschouwing hadden van wat zij het goddelijke wezen noemden, hadden ze geen bewijzen nodig. De bewijzen voor het bestaan van God begonnen hun leven in de ontwikkeling der geschiedenis pas toen de eigen waarneming was verloren. Bewijzen beginnen overal pas wanneer er geen aanschouwing is. De antroposofische methode bestaat echter erin dat men de mensenziel zo voorbereid dat zij dan tot aanschouwing komt. Wanneer deze dan beschreven wordt – dat is het eigenaardige van de antroposofie -, dan kan zij in de vorm van het gezonde mensenverstand gebracht en eveneens begrepen worden, zoals een niet-kunstenaar een kunstwerk begrijpen kan, hoewel hij het niet maken kan. Men kan daarom niet tegenwerpen dat antroposofie met het gezonde mensenverstand niet zou kunnen worden begrepen. Onderzocht kan ze alleen worden door degene die zelf kan zien en onderzoeken. Begrepen worden kan ze echter door een ieder, die zijn gezonde mensenverstand zonder vooroordeel gebruiken wil.

Bron: Rudolf Steiner – GA 82 – Damit der Mensch ganz Mensch werde – Den Haag 12 april 1922 (bladzijde 200-202)