Ik stelde mij er op in om zuiver objectief waar te nemen

Ik stelde mij er op in om zuiver objectief waar te nemen hoe een mens op mij overkwam. Angstvallig vermeed ik om kritiek uit te oefenen op wat de mensen deden of om sympathie of antipathie in mijn verhouding tot hen te doen gelden: Ik wilde ‘de mens, zoals hij is, alleen maar op mij laten inwerken’.

Weldra ontdekte ik dat een dergelijke waarneming van de wereld waarlijk toegang verschaft tot de geestelijke wereld. In het waarnemen van de fysieke wereld treedt men geheel uit het eigen wezen naar buiten; en daardoor treedt men met een verhoogd geestelijk waarnemingsvermogen de geestelijke wereld binnen.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Rudolf Steiner – Mijn Levensweg – bladzijde 218 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 318)

3d8b129deb88515546b11f559f0ec500

Opvoeding in de tweede levensperiode (ongeveer 7 tot 14 jaar)

Als we in de eerste zeven levensjaren van het kind omstandigheden scheppen waarbij het in een omgeving leeft, die op zijn fysieke lichaam gezond werkt, dan doen we onder alle omstandigheden iets goeds voor het kind. Als we in de tweede periode (ongeveer zeven tot veertien jaar) ons zo gedragen dat we goede, in de edelste zin zo te noemen autoriteiten in de omgeving van het kind zijn, zodat het niet een wijsprater wordt in deze levensjaren, maar dat het kind een wezen wordt dat op de mensen in zijn omgeving als autoriteiten vertrouwt, voor wie het kind respect heeft, voor wie het genegenheid (Duits: Hingabe) heeft, dan doen we in alle gevallen iets goeds voor hem. We doen iets goeds, als we de kinderen zo opvoeden dat ze niet op hun negende, tiende jaar zelf alles al weten willen, maar die als men hen vraagt: ‘Waarom is dit of dat juist of goed?’, dan zeggen ‘Omdat mijn vader, omdat mijn moeder het gezegd heeft dat het goed is, of omdat de leraar het gezegd heeft.’

Als we de kinderen zo grootbrengen dat in hun omgeving de volwassenen als vanzelfsprekende autoriteiten gelden, dan doen we de kinderen in alle gevallen iets goeds. En als we in strijd handelen met deze zevenjarige periode, als we een zodanige situatie teweegbrengen dat in deze tijd de kinderen al beginnen kritiek te leveren op degenen, die vanzelfsprekende autoriteiten zijn, als we dat niet vermijden dat deze kritiek zich voordoet, dan doen we in alle gevallen iets heel verkeerds voor het opgroeiende kind.

Bron: Rudolf Steiner – GA 150 – Die Welt des Geistes und ihr Hereinragen in das physische Dasein – Augsburg, 14 maart 1913 (bladzijde 19-20)

Eerder geplaatst op 13 december 2016 (1 reactie)

Afvalligheid van het geloof

Men kan tegenwoordig in de oude, traditionele zin een religieus en vroom mens zijn, maar men leeft niettemin toch, dankzij (Duits: schon dank) de bestaande literatuur, van kranten tot boeken, en door het overige publieke leven, geheel in de geest van de moderne wetenschap. Daardoor kon het ook niet uitblijven dat, hoe sterk de vraag zich ook voordoet om het geloof te scheiden van de wetenschappelijke kennis, deze wetenschappelijke kennis op alle mogelijke gebieden optreedt als kritiek op het geloof, dat ze tot ontbinding en afvalligheid van dit geloven in talrijke mensen tegenwoordig al werkt en werken zal, als niet op deze gebieden een volledige ommekeer in geestelijke zin plaatsvindt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 82 – Damit der Mensch ganz Mensch werde – Den Haag, 7 april 1922 (bladzijde 27)

Eerder geplaatst op 1 november 2016

Over positiviteit en onthouding van kritiek

Zo moet de esoterische leerling proberen in ieder verschijnsel en in ieder wezen het positieve te zoeken. Hij zal dan al spoedig merken dat onder de buitenkant van het lelijke een verborgen schoonheid, dat zelfs onder het hulsel van een misdadiger iets verborgen goeds, dat onder het uiterlijk van een waanzinnige op de een of andere manier de goddelijke ziel verborgen is.

Deze oefening hangt enigszins samen met wat men de onthouding van kritiek noemt. Men moet deze zaak niet zo opvatten alsof men zwart wit en wit zwart zou moeten noemen. Er is echter een verschil tussen een beoordeling die alleen van de eigen persoonlijkheid uitgaat en aan de hand van sympathie en antipathie van de eigen persoon oordeelt. En er is een standpunt dat zich liefdevol in het vreemde verschijnsel of vreemde wezen verplaatst en zich overal afvraagt: Hoe komt deze ander ertoe zo te zijn en zo te doen? Een dergelijk standpunt komt er geheel vanzelf toe om er meer na te streven het onvolkomene te helpen dan alleen aanmerkingen te maken en het te kritiseren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 267 – Seelenübungen (bladzijde 58-59)

Eerder geplaatst op 8 augustus 2015

Interesse voor andermans fouten in plaats van kritiek  

Wat de mensheid enkel en alleen heil kan brengen in de toekomst – ik bedoel de mensheid, dus het sociale samenleven -, moet zijn een eerlijke interesse van de ene mens voor de andere. Wat ons huidige tijdperk bijzonder eigen is, is de afzondering van de ene mens van de anderen. Dat vereist de individualiteit, dat is een voorwaarde van de persoonlijkheid, dat een mens zich ook innerlijk van de anderen afzondert. Maar deze afzondering moet een tegenpool hebben, en deze tegenpool moet in het aankweken van een levendige interesse van mens tot mens bestaan. […] 

U vindt onder, ik zou willen zeggen, de meest elementaire impulsen, die worden aangegeven in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’, de impuls beschreven, die, als hij voor het sociale leven praktisch wordt, recht op verhoging van de interesse voor de mensen aanstuurt. U vindt immers overal aangegeven de zogenaamde positiviteit, de ontwikkeling van een positieve gezindheid. De meeste mensen in de huidige tijd zouden ronduit met hun ziel omkeren moeten van hun weg als ze deze positiviteit ontwikkelen willen, want de meeste mensen hebben vandaag de dag niet eens een besef van deze positiviteit. Ze staan zo van mens tot mens dat ze, als ze iets aan de andere mensen opmerken dat hen niet zint – ik wil niet zeggen dat ze dieper kijken, maar als alleen maar uiterlijk, van de buitenkant bekeken hen iets niet aanstaat -, dan beginnen ze te veroordelen, echter zonder ervoor interesse te ontwikkelen. 

Het is in de hoogste mate antisociaal – misschien klinkt het paradoxaal, maar het is toch juist – voor de toekomstige mensheidsontwikkeling om zulke eigenschappen te hebben, om in onmiddellijke sympathie en antipathie de andere mensen te benaderen. Daarentegen zal het de mooiste, belangrijkste sociale eigenschap voor de toekomstontwikkeling zijn, als men juist een objectieve interesse voor de fouten van andere mensen ontwikkelt, als iemand de fouten van andere mensen veel meer interesseren dan dat men probeert ze te bekritiseren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 185 – Geschichtliche Symptomatologie – Dornach, 25 oktober 1918 (bladzijde 96-97)

 Eerder geplaatst op 12 april 2015  (2 reacties)