Krachten worden gewekt die anders blijven sluimeren

Ieder ogenblik dat we de rust nemen om te zien wat er zoal in ons bewustzijn leeft aan negatieve, kritische, verwerpende oordelen over de wereld en het leven, brengt ons dichter bij de hogere kennis. En wij klimmen snel op, wanneer we in zulke ogenblikken ons bewustzijn alleen vervullen met gedachten die ons bewondering, achting en eerbied voor de wereld en het leven schenken. 

Wie op dit gebied ervaring heeft, weet dat in al die ogenblikken krachten in de mens worden gewekt die anders blijven sluimeren.  Daardoor  worden de geestelijke ogen van de mens geopend. Hij gaat dingen om zich heen zien die hij vroeger niet kon zien. Hij gaat begrijpen  dat  hij  voor  die  tijd  slechts  een  deel  van  de  hem  omringende  wereld  zag.  De  mens  die  tegenover  hem  staat,  laat  hem  nu een heel andere gedaante zien dan eerst.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – De weg tot inzicht in hogere werelden (blz. 24-25)

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten onder redactie van Frans van Bussel, Michel Gastkemper en  Roel Munniks

Vertaald door Marijke Buursink. Met toelichtingen van Leo de la Houssaye  en Roel Munniks.

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1991 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen Vierde, herziene druk 2007 Zevende druk 2021 Typografie Françoise Berserik Zetwerk Henk Pel Omslagillustratie door Henk Hage, aquarel (29,6 × 26,5 cm) Druk: RaddraaierSSP Bindwerk: Boekbinderij Abbringh isbn 978 90 829998 1 5 / nur 743 Uitgave Steinervertalingen www.steinervertalingen.nl

Duitstalige link: http://fvn-archiv.net/PDF/GA/GA010.pdf#page=23 (blz. 23-24)

Weg-tot-inzicht-in-hogere-werelden-2013-1

Eerbied / Devotie / Deemoed

Wanneer wij niet diep in onszelf  het gevoel aankweken dat er iets hogers bestaat dan wij zijn, zullen we ook niet de kracht in ons vinden om ons tot iets hogers te ontwikkelen. De ingewijde heeft zich de kracht verworven om zijn hoofd te verheffen tot de hoogten  van  het  inzicht,  enkel  doordat  hij  zijn  hart  tot  de  diepten  van de eerbied, van de devotie heeft gebracht. De hoogte van de geest kan alleen beklommen worden als we door de poort van de deemoed gaan. Ware kennis kun je alleen bereiken als je geleerd hebt deze kennis te achten. 

De mens heeft zeer zeker het recht zijn oog naar het licht te keren, maar hij moet zich dat recht verwerven. In het geestelijk leven bestaan er evengoed wetten als in het materiële leven. Wrijf  met een bepaalde stof  langs een glazen staaf en hij wordt elektrisch geladen, dat wil zeggen, hij krijgt de kracht om kleine  deeltjes  aan te  trekken.  Dat  is  een  natuurwet.  Wie  iets  van natuurkunde heeft geleerd, kent dit gegeven. Op dezelfde manier weet iemand die de beginselen van de geesteswetenschap kent, dat ieder gevoel van  waarachtige  devotie dat we in onze ziel ontwikkelen, een kracht oproept die ons vroeger  of  later verder kan helpen op de weg naar inzicht. 

Wie gevoelens van devotie als aanleg in zich draagt, of  wie het geluk heeft dat ze hem door een juiste opvoeding zijn ingeplant, die brengt veel mee wanneer hij later in zijn leven de toegang tot hogere inzichten zoekt. Wie zo’n voorbereiding niet meebrengt, ondervindt al bij de eerste stappen op de weg naar inzicht moeilijkheden, als hij niet door zelfopvoeding die stemming van devotie krachtig in zichzelf  tracht op te wekken. 

In onze tijd is het bijzonder belangrijk dat dit punt de volle aandacht krijgt. Onze beschaving  neigt  meer  tot  kritiek,  tot  oordelen  en  veroordelen  dan tot devotie, toewijding en eerbied. Het is al zo dat onze kinderen veel meer bekritiseren dan ze met hart en ziel vereren. Maar iedere  kritiek,  iedere  veroordeling verdrijft  de  krachten  van  de  ziel  tot hogere ervaring evenzeer als ieder gevoel van eerbied ze ontwikkelt. 

Daarmee wil niets ten nadele van onze beschaving zijn gezegd. Het gaat er hier beslist niet om kritiek uit te oefenen op deze beschaving waarin wij leven. Juist aan het kritisch vermogen, aan het zelfbewuste menselijke oordeel, aan het ‘beproef  alles en behoud het beste’ hebben wij de grootheid van onze cultuur te danken. Nooit zou de mens het tot de wetenschap, de industrie, de transportmiddelen of de rechtsverhoudingen van onze tijd hebben gebracht als hij niet voortdurend kritiek had uitgeoefend, bij alles de maatstaf  van zijn oordeel had aangelegd. Maar wat wij daardoor  aan  uiterlijke  cultuur  hebben  gewonnen,  moesten  we betalen met een overeenkomstig verlies aan  hogere  kennis, aan spiritueel leven. Met nadruk dient te worden gezegd dat het bij hogere kennis  niet  gaat om verering van mensen, maar om verering van waarheid  en  inzicht.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – De weg tot inzicht in hogere werelden (blz. 22-23)

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten onder redactie van Frans van Bussel, Michel Gastkemper en  Roel Munniks

Vertaald door Marijke Buursink. Met toelichtingen van Leo de la Houssaye  en Roel Munniks.

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1991 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen Vierde, herziene druk 2007 Zevende druk 2021 Typografie Françoise Berserik Zetwerk Henk Pel Omslagillustratie door Henk Hage, aquarel (29,6 × 26,5 cm) Druk: RaddraaierSSP Bindwerk: Boekbinderij Abbringh isbn 978 90 829998 1 5 / nur 743 Uitgave Steinervertalingen www.steinervertalingen.nl

Duitstalige link:http://fvn-archiv.net/PDF/GA/GA010.pdf#page=20  (blz. 20-22)

Weg-tot-inzicht-in-hogere-werelden-2013-1

Onjuiste kritiek

Iets dat de esoterische ontwikkeling zeer schaadt, is vooral de ongetoetste, oppervlakkige en daarom objectief onjuiste kritiek die we vaak onder elkaar of ten aanzien van onze medemensen uitoefenen.

Ik zeg niet dat het uitoefenen van kritiek verkeerd is, maar die moet steeds op een zaak gericht zijn en niet op personen, enkel vanwege dat hun manier van doen ons niet bevalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266b – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Band II: 1910 – 1912 – München, 26 februari 1912 (bladzijde 340) (notitie uit de verzameling van Elisabeth Vreede)

Dit citaat heb ik overgenomen van https://www.antrovista.com/verdieping/citaat-van-de-dag.html (verzorgd door Renée Zeylmans)

Eerder geplaatst op 25 november 2017  (1 reactie)

Anxious woman judged by different people

Er zal een tijd komen dat men zal zeggen: Wat praten jullie van goed en kwaad? Goed en kwaad, dat bepaalt de staat.

Vandaag de dag bejegent men degenen die vanuit de geesteswetenschappelijke inzichten proberen de waarheid te zeggen met de gesel van de minachting, met de gesel van de spot of, zoals men het vaak noemt, de gesel van de kritiek. In het zesde cultuurtijdperk (3573-5733) zullen zij beginnen deze mensen te genezen – te genezen! Dat wil zeggen: men zal tegen die tijd geneesmiddelen gevonden hebben, die men dwangmatig zal toedienen aan degenen die ervan spreken dat er een norm van goed en kwaad bestaat, dat goed en kwaad iets anders is dan een menselijke wetgeving.

Er zal een tijd komen dat men zal zeggen: Wat praten jullie over goed en kwaad? Goed en kwaad, dat bepaalt de staat. Wat in de wet staat, dat het goed is, dat is goed; wat in de wet staat dat het nagelaten moet worden, dat is slecht. Als jullie beweren dat er een moreel goed en kwaad bestaat, dan zijn jullie ziek! – En men geeft hen medicijnen, en men zal de mensen cureren. Dat is de tendens. Dit is geen overdrijving, dit is gewoon het venster, waardoor ik u zou willen laten zien.

Daarheen gaat het in het verloop van de tijd. En wat in het zevende na-Atlantische tijdperk (5733-7893) zou volgen – door dat venster zal ik u voorlopig niet blikken laten. Maar waar is het. Een tijd zal komen, want het laat zich immers niet terugdraaien, wat in de menselijke natuur is. Het zal geleidelijk op zodanige wijze tot uitdrukking komen, dat men volgens de begrippen van de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing de mensen als ziek zal zien, en zal proberen de nodige geneeswijze tot stand te brengen. Dit is geen fantasie. Juist de allernuchterste beschouwing van de werkelijkheid geeft dit, waarvan hier gesproken wordt. En wie slechts ogen heeft om te zien en oren om te horen, die ziet overal het begin hiervan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 175 – BAUSTEINE ZU EINER ERKENNTNIS DES MYSTERIUMS VON GOLGATHA – Berlijn, 12 april 1917 (bladzijde 241-242)

df579e7c6bcd10505eccbb310c2f893d

Rudolf  Steiner met zijn harem 🙂. Van links naar rechts: Selma Wilde, Lisa Moltke, Pauline von Kalckreuth, Rudolf Steiner en Eugenie von Bredow. De foto is in de zomer van 1906 gemaakt op het landgoed van de von Bredows in Landin.

Eerder geplaatst op 12 maart 2017  (8 reacties)

Ik stelde mij er op in om zuiver objectief waar te nemen

Ik stelde mij er op in om zuiver objectief waar te nemen hoe een mens op mij overkwam. Angstvallig vermeed ik om kritiek uit te oefenen op wat de mensen deden of om sympathie of antipathie in mijn verhouding tot hen te doen gelden: Ik wilde ‘de mens, zoals hij is, alleen maar op mij laten inwerken’.

Weldra ontdekte ik dat een dergelijke waarneming van de wereld waarlijk toegang verschaft tot de geestelijke wereld. In het waarnemen van de fysieke wereld treedt men geheel uit het eigen wezen naar buiten; en daardoor treedt men met een verhoogd geestelijk waarnemingsvermogen de geestelijke wereld binnen.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Rudolf Steiner – Mijn Levensweg – bladzijde 218 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 318)

3d8b129deb88515546b11f559f0ec500