Waarom zouden wij ons eigenlijk met filosofie inlaten?

Waarom zouden wij ons eigenlijk met filosofie inlaten, als zij zich toch slechts met een vergeefse moeite der mensheid bezighoudt? Ja, zo is de zaak toch niet, zo is het werkelijk niet! Hetgeen wij doen, als wij ons in deze vanuit een zeker gezichtspunt beslist tevergeefse worsteling verdiepen, is niettemin van oneindige betekenis, iets, dat door niets anders vervangen kan worden. Voor de kennis van de onsterfelijke ziel, voor de kennis van de geestelijke wereld en ook van de goddelijke wezens zal de filosofie zeker altijd onvruchtbaar blijven, maar ze zal niet onvruchtbaar blijven voor de ontwikkeling van zekere menselijke krachten, voor de ontwikkeling van menselijke vermogens.

Bron: Rudolf Steiner – GA 156 – Okkultes Lesen und okkultes Hören – Dornach, 19 december 1914 (bladzijde 155-156)

rudolfsteinerlecture2011_18-2013_08_19-08_19_05-utc

Schilderij door David Newbatt

Eerder geplaatst op 20 maart 2018  (1 reactie)

Juiste gevoelens jegens de doden

We ontwikkelen de juiste gevoelens jegens de doden als we ons ervan bewust zijn dat hun geestelijke blik – als ik die uitdrukking mag gebruiken -, hun krachten op ons gericht zijn, ze stromen in onze krachten, ze kijken naar ons, ze handelen in ons.

Bron: Rudolf Steiner – GA 154 – Wie erwirbt man sich Verständnis für die geistige Welt? – Parijs, 25 mei 1914 (blz. 88)   

41+1VKSocWL

Metamorfose/Talenten/Krachten

Wie de overeenkomsten uiterlijk beschouwt, vergist zich in de regel in de karakteristieke trekken van de opeenvolgende incarnaties. En net zoals wij moeten nadenken over wat we onaangenaam hebben gevonden, en ons dan moeten voorstellen dat we het intensief wensen, moeten we ook nadenken over de dingen waarvoor we het minst geschikt zijn, waarin we om zo te zeggen achterlijk zijn. En als wij de allerdomste kanten van ons wezen ontdekken, kunnen deze ons vrijwel zeker op het spoor brengen, van de dingen waarin wij in de voorafgaande incarnaties hebben uitgeblonken. Hier blijkt dat het voor de hand ligt om juist deze dingen van de verkeerde kant aan te pakken.

Op grond van bepaalde bespiegelingen kan ons overigens ook duidelijk worden dat het juist de meest innerlijke wezenskern van de ziel is, die van de ene naar de andere incarnatie verder leeft. Iemand zal bijvoorbeeld nooit een taal gemakkelijker leren doordat hij in een vorige incarnatie in een taalgebied leefde dat samenhing met de taal die hij nu moet leren. Als dat wel zo was, zou het onze gymnasiasten niet zoveel moeite kosten om Grieks of Latijn te leren – want voor velen van hen waren deze talen in hun vroegere incarnaties de omgangstaal.

Wat wij ons in uiterlijke zin eigen maken, is in sterke mate verbonden met alles wat in het leven van de mens tussen geboorte en dood tot een afsluiting komt. Er kan dan ook geen sprake van zijn dat die dingen in de volgende incarnatie op dezelfde manier weer te voorschijn komen. Ze gaan, tot krachten gemetamorfoseerd over in een of meer van de volgende incarnaties. Zij die bijvoorbeeld in een incarnatie een speciale talenaanleg hebben, zullen die aanleg in hun volgende incarnatie niet hebben, daar staat tegenover dat ze meer dan anderen een aanleg tot onbevangen oordelen hebben. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Reïncarnatie en karma – Berlijn, 23 januari 1912 (bladzijde 16-17)

Overgenomen uit de Nederlandse vertaling door H. Beran-Muller van Brakel: Reïncarnatie en Karma (bladzijde 14-15) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1981

Zie ook: Talenten/Reïncarnatie/Karma (1 van 2) en 

               Talenten/Reïncarnatie/Karma (2 – slot)

Portraits of Rudolf Steiner 0014

Eerder geplaatst op 25 juli 2019  (1 reactie)

Tegenstrevende krachten (2 van 2)

Deze krachten zijn zo geweldig dat, bleven zij later zo doorwerken, ons organisme zou wegkwijnen onder de heiligheid van deze krachten. Slechts dan moet de mens zich tot deze krachten wenden, als hij de ontwikkelingsweg gaat, die hem in bewust contact brengt met de bovenzinnelijke wereld. In verband hiermee kan men een belangrijke uitspraak uit het Nieuwe Testament begrijpen. “Indien gij niet wordt gelijk de kinderkens,zo zult gij het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.” 

Want wat kan de mens als een hoog ideaal zien, wanneer hij het voorafgaande als juist aanvaardt? Dit: steeds dichter te komen tot wat men kan noemen een bewuste verhouding tot de krachten, die in de eerste kinderjaren onbewust aan de mens werken.- Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen, dat de mens onder het geweld van deze krachten zou bezwijken, als ze zonder meer op zijn bewuste leven zouden inwerken.

Daarom is voor het verwerven van die vermogens, die tot een waarnemen van bovenzinnelijke werelden leiden, een zorgvuldige voorbereiding noodzakelijk. Door deze voorbereiding kan de mens er naar streven om in staat te zijn, datgene te verdragen wat hij in het gewone leven juist niet verdragen kan.

Bron: Rudolf Steiner – De geestelijke leiding van mens en mensheid (bladzijde 22)

Vertaling: Fr. Hardam van Omme en P. Henny-van Suchtelen – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist.

Duitstalig: Rudolf Steiner – GA 15 – Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit: I. Kapitel – Kopenhagen, 6 juni 1911 (bladzijde 19-20)

51XRSX6HZWL._SX323_BO1,204,203,200_

Eerder geplaatst op 9 mei 2019  (3 reacties)

Dieper gelegen krachten  

Alles wat de mens aan idealen, kunstuitingen, maar ook alles wat hij aan natuurlijke geneeskracht in het eigen lichaam voort kan brengen, waardoor een voortdurend herstel van de aan het leven toegebrachte beschadigingen plaats vindt, komt niet voort uit het gewone verstand, maar uit de dieper gelegen krachten, die in de eerste jaren werken aan onze oriëntering in de ruimte, aan de vorming van het strottenhoofd en aan de hersenen. Want dezelfde krachten zijn ook later nog in de mens werkzaam. Wanneer bij beschadigingen van onze levensprocessen vaak gezegd wordt, dat krachten van buitenaf ons niet kunnen helpen, maar dat ons organisme de daarin aanwezige geneeskracht uit zichzelf moet ontwikkelen, dan heeft men immers ook een in de mens aanwezige wijsheidsvolle werking op het oog. Uit dezelfde bron zijn bovendien ook die krachten afkomstig, waardoor men bewustzijn kan krijgen van de geestelijke wereld, dat wil zeggen, tot juiste helderziendheid kan komen.

Bron: Rudolf Steiner – De geestelijke leiding van mens en mensheid (bladzijde 20)

Vertaling: Fr. Hardam van Omme en P. Henny-van Suchtelen – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist.

Duitstalig: Rudolf Steiner – GA 15 – Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit: I. Kapitel – Kopenhagen, 6 juni 1911 (bladzijde 17)

51XRSX6HZWL._SX323_BO1,204,203,200_

Eerder geplaatst op 7 mei 2019