IJdelheid / Schaamte / Dankbaarheid

Terwijl men in het gewone leven woorden, die zijn uitgesproken, als afgedaan beschouwt, heeft men bij een esoterische ontwikkeling een duidelijk ‘achterna gevoel’ over het gesprokene: een soort innerlijke schaamte wanneer men iets heeft gezegd dat moreel of intellectueel onjuist was, en een soort dankbaarheid – geen zelfingenomenheid – wanneer het is gelukt iets uit te spreken, waartegen de door ons verworven wijsheid ‘ja’ kan zeggen.

Wanneer men dan – en ook daarvoor verkrijgt men een fijne opmerkingsgave – door ’t juiste uit te spreken een zelfingenomenheid voelt opduiken, laat dit dan een teken zijn van nog te veel ijdelheid, die nergens toe deugt bij de ontwikkeling van de mens. Men leert dan onderscheid maken tussen een tevredenheidsgevoel bij een uitspraak, die de eigen goedkeuring wegdraagt en de zelfingenomenheid, die nergens toe deugt. Men moet ernaar streven dit laatste gevoel niet te laten opkomen, doch slechts het gevoel te ontwikkelen voor de schaamte over het immorele of onjuiste woord, en daarnaast bij een passende uitspraak de dankbaarheid voor de wijsheid, die niet uit onszelf komt, maar een geschenk van de kosmos is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte  Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischen Leib, Ätherleib,  Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 24 maart 1913 (blz. 90)

Nederlands: Innerlijke ontwikkeling door antroposofie (blz. 77-78) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist – 1980

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel / Ir. H. de Brey / A. van der Laan-Schepers

innerlijke-ontwikkeling-door-antroposofie

Alles ontstaat vanzelf, niet zo’n slimme gedachte

Wat de uiterlijke fysieke wetenschap tegenwoordig weet over de bouw van de schedel, de hersenen, is veel, zo veel dat er nogal wat mensen zijn voor wie het te veel is om het te weten. Maar als men met deze kennis van de materiële wetenschap zou willen nagaan hoe de schedel met de hersenen, deze wonderbaarlijke structuur, tot in de kleinste delen zou moeten worden gevormd, dan zou er met deze wetenschap zeer weinig van terecht komen om het werkelijk te vormen! Dit is toch een belangrijk geheim. Met dit geheim zijn een bepaald soort mensen snel klaar door te zeggen: Wat er met mensen gebeurt in de opeenvolgende generaties, dat gaat helemaal vanzelf. Dat zo’n menselijk hoofd zich vormt in het lichaam van de moeder, dat gaat dus helemaal van nature.

Het is begrijpelijk dat mensen dat zeggen, maar hoe slim dit is wil ik door een vergelijking duidelijk maken. We kunnen hypothetisch aannemen dat er wezens in München zijn die veel zouden kunnen zien, maar juist niet de mens, noch de mens in zijn activiteit zouden kunnen zien. Het zou toch denkbaar zijn dat zulke wezens München bevolken die de mens en zijn activiteiten niet konden zien.

Dergelijke wezens, die de mens en zijn werkzaamheden niet zouden kunnen zien, zouden bijvoorbeeld wel horloges kunnen zien. Dus ze zouden zien dat er horloges zijn en hoe de horloges worden gemaakt, maar ze zouden niet de mens zien, de horlogemaker die het horloge monteert. Ze zien niet de handen die de afzonderlijke onderdelen samenvoegen, ze zien alleen hoe het horloge wordt gevormd uit de afzonderlijke onderdelen. Ze zouden misschien nog wel de verschillende pincetten en tangen enzovoort zien, waarmee de onderdelen worden aangevat, maar voor hen worden als het ware vanuit de lucht de afzonderlijke onderdelen van het horloge samengevoegd. Wat zouden deze wezens dan voor gedachte over het horloge hebben? Ze zouden niet zeggen: er zijn horlogemakers in München -, dat zouden ze helemaal ontkennen. Ze zouden zeggen: Oh, het is een vreselijk bijgeloof om aan te nemen dat er horlogemakers zijn, want de horloges ontstaan geheel vanzelf, men ziet immers hoe ze zich vanzelf samenvoegen. 

Net zoals deze wezens zouden oordelen, zo oordelen de mensen die aannemen dat wat zich nu geleidelijk op het fysieke gebied vormt, vanzelf ontstaat. Alles wat hier ontstaat, komt voort uit de werkzaamheden van de spirituele wezens van de hogere hiërarchieën. Waarachtig niet alleen door de interactie van vader en moeder en door wat zich dan in het lichaam van de moeder ontwikkelt, vormt de mens zich ‘vanzelf’, maar de hele wereld werkt erin, hier is de hele kosmos met de wezens van de hogere hiërarchieën bij betrokken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 174a – Mitteleuropa zwischen Ost und West – Kosmische und menschliche Geschichte – Sechster  Band – München, 20 maart 1916 (bladzijde 138, 139, 140)

Verbetering door herhaalde aardelevens

Overweeg eens wat de mens allemaal denkt! Zou het niet de meest vreselijke gedachte zijn die je je kunt voorstellen als je jezelf zou moeten zeggen dat alle menselijke gedachten objectief in de wereldmaterie ingeschreven zijn en daar aldus voor eeuwig zouden zijn? Dit zou echter gebeuren als de mens niet, doordat hij herhaalde aardelevens doormaakt, in staat zou zijn de gedachten die niet zouden moeten blijven, weer te verbeteren, hetzij door het corrigeren of door het geheel uitroeien, en ze te vervangen door andere gedachten, enzovoort. Dat is iets wat de evolutie door de verschillende aardse levens verwezenlijkt: dat de mens in staat is om werkelijk te verbeteren wat hij bij elke dood in de kosmos (Duits: Weltensubstantialität) inschrijft, en dat hij kan nastreven dat van hem uit, wanneer hij door de laatste aardse incarnatie zal zijn gegaan, alleen datgene aan de etherische wereldsubstantie in de wereld overgegeven wordt, wat nu werkelijk kan blijven bestaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 170 – Das Rätsel des Menschen/Die geistigen Hintergründe der menschlichen Geschichte – Dornach, 27 augustus 1916 (bladzijde 208)

Op de meest verschillende wijze werken de krachten van de kosmos mee

Niemand die een kompas, een magneetnaald in de hand neemt, en deze magneetnaald met het ene eind naar de magnetische Noordpool, met het andere eind naar de magnetische Zuidpool is gericht, zal het tegenwoordig invallen om de oorzaak dat deze magneetnaald zich juist zo richt, alleen in de magneetnaald zelf te zoeken; maar de natuurkundige zal zich genoopt voelen de magneetnaald en de van de magnetische pool der aarde uitgaande magnetische kracht als een geheel te zien, doordat deze magnetische kracht het ene einde van de naald naar de Noordpool richt en het andere naar de Zuidpool. Daar zoekt men de aanleiding naar wat in de magneetnaald in de kleinste ruimte gebeurt, in het grote universum. Datzelfde doet men echter niet, waar men het ook zou moeten doen, waar het er zeer op aan zou komen, dat men het deed. Als iemand tegenwoordig waarneemt – en wel juist als wetenschapper -, dat zich in een levend wezen een ander levend wezen vormt, dus bijvoorbeeld, als iemand ziet dat zich in een kip een ei vormt, dan gebeurt er ook iets in de kleinste ruimte; dan echter valt het de mensen gewoonlijk niet in, dat wat hij zich bij de magneetnaald zeggen moet, nu ook toe te passen en te zeggen: Het ligt niet in de kip, maar in de gehele kosmos dat zich in het lichaam van de kip de eikiem vormt. – Net zo echter als bij de magneetnaald het grote universum betrokken is, zo is in het kippenlichaam, in de moederkip – ondanks alle processen, die daar ook deel aan hebben – de hele kosmos […] betrokken. […] Dit is vandaag de dag nog een ketterij tegenover de officiële wetenschap, maar toch een waarheid. En op de meest verschillende wijze werken de krachten van de kosmos mee. En zo waar het is, dat inderdaad bij mensen – wat ik zeg, bewijst de empirische embryologie – het hoofd zich, in zijn eerste kiemaanleg, uit het hele universum vormt, zo waar het is dat het menselijke hoofd vooreerst in het moederorganisme ontstaat, zo waar is het aan de andere kant, dat de oorzakelijke krachten tot dit ontstaan vanuit de hele kosmos werken en dat de mens in zijn hoofd een beeld (Duits: Abbild) is van de hele kosmos.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Weltenleben/Anthroposophische Lebensgaben /Bewußtseins-Notwendigkeiten für Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 29 Januari 1918 (bladzijde 31-32)