Hoe een helderziende/ingewijde zijn eigen dood ervaart

De eerstvolgende fysieke dood is een geheel andere gebeurtenis voor hem dan de dood tot dusver was. Bewust doorleeft hij het sterven, zijn stoffelijk lichaam van zich leggend, zoals wij een kleed afleggen, dat versleten of wellicht door een scheur plotseling onbruikbaar geworden is. Een feit van betekenis is deze fysieke dood dan alleen voor degenen, die met hem leven en wier waarneming zich nog geheel bepaalt tot de wereld der zinnen. Voor hen “sterft” de leerling der geestesscholing. Voor hemzelf wordt in zijn hele omgeving niets van belang gewijzigd. Immers, heel de bovenzinnelijke wereld, waarin hij is binnengetreden, lag reeds vóór zijn dood in zekere zin voor hem open en zal ook na de dood voor hem open liggen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE ERLANGT MAN ERKENNTNISSE DER HÖHEREN WELTEN? – Der Hüter der Schwelle (bladzijde 199)

Vertaling overgenomen uit Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden? – Hoofdstuk: De wachter aan de drempel (bladzijde 171)

Eerder geplaatst op 3 juli 2013

Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld, dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken. En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen, dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn, 6 september 1903 (bladzijde 26)

Eerder geplaatst op 1 december 2012

Hoe een helderziende/ingewijde zijn eigen dood ervaart

De eerstvolgende fysieke dood is een geheel andere gebeurtenis voor hem dan de dood tot dusver was. Bewust doorleeft hij het sterven, zijn stoffelijk lichaam van zich leggend, zoals wij een kleed afleggen, dat versleten of wellicht door een scheur plotseling onbruikbaar geworden is. Een feit van betekenis is deze fysieke dood dan alleen voor degenen, die met hem leven en wier waarneming zich nog geheel bepaalt tot de wereld der zinnen. Voor hen “sterft” de leerling der geestesscholing. Voor hemzelf wordt in zijn hele omgeving niets van belang gewijzigd. Immers, heel de bovenzinnelijke wereld, waarin hij is binnengetreden, lag reeds vóór zijn dood in zekere zin voor hem open en zal ook na de dood voor hem open liggen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – De weg tot inzicht in hogere werelden – Hoofdstuk: De wachter aan de drempel

Eerder geplaatst op 15 juni 2011.

Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld, dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken. En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen, dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn 6 september 1903 (bladzijde 26)