Antroposofie en socialisme (3 van 11) – Zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou uitgeblust op school komen.

Men zou van antroposofische zijde zulke nobele mensenvrienden niet  moeten antwoorden door eenvoudig te zeggen, dat de antroposofie met de strijd der partijen, met de alledaagse belangen niets van doen heeft. Zeker, het kan niet de taak van de antroposofen zijn in de politieke partijstrijd direct in te grijpen. Langs andere wegen moet hij nastreven de mensheid te dienen en te helpen dan de partijen en wetgevingen het doen kunnen. Maar hij moet er ook rekening mee houden, dat hij met een wereldvreemd, voor duizenden en duizenden mensen waardeloos streven ernstig voorbij zou gaan aan de werkelijke noden.

De antroposoof spreekt van de noodzaak de edele geestelijke krachten in de kinderziel niet te laten verkommeren; hij spreekt erover dat in ieder mens de kiem van het goddelijke verborgen ligt, en dat leerkrachten en opvoeders thuis en op school het als hun taak moeten zien voor deze kiem van het goddelijke te zorgen, dat zij de ziel van het kind tot een burger in het rijk van het eeuwige moeten maken. En de sociaal voelende mensenvriend antwoordt hem: ‘Jij kunt lang praten; zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou met uitgebluste zielekrachten op school komen. Is ten opzichte van hen vóór alles niet iets geheel anders noodzakelijk als te denken aan de eeuwigheid van de ziel?’

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 432)

Eerder geplaatst op 4 februari 2016

Het ellendige lesrooster  

We moeten de krach­ten die in de menselijke kinderziel ontwikkeld kunnen worden, sterk ontwikkelen, zodat de volwassen mens deze krachten later uit zijn opvoeding kan putten. Tegenwoordig kijkt hij op zijn jeugd terug, gaat in zijn gevoel naar zijn kinderjaren terug, maar kan er geen kracht uit putten omdat er niets ontwikkeld is. De uitgangspunten van onze opvoeding moeten grondig veranderen wanneer wij op dit punt de juiste maatregelen wil­len treffen. Daarbij moeten wij beslist aandachtig luisteren naar veel dingen die in deze tijd als heilzaam worden aangeprezen.

Zo is het nodig, zonder de boog te overspannen en niet door inspanning maar door een doelmatige inrichting van het onder­wijs, concentratie bij de kinderen te bewerkstelligen. Op de manier waarop de moderne mens dit nodig heeft, kunnen we dit alleen bereiken door iets af te schaffen dat tegenwoordig nog zeer geliefd is: door het ellendige lesrooster in de scholen af te schaf­fen, dat moordwapen voor een werkelijke ontwikkeling van de menselijke krachten. Men moet zich eens voorstellen wat het betekent: van 7 tot 8 rekenen, van 8 tot 9 taal, van 9 tot 10 aardrijkskunde, van 10 tot 11 geschiedenis! Alles wat van 7 tot 8 in de ziel leefde wordt van 8 tot 9 uitgewist, enzovoorts. Het is noodzakelijk deze dingen grondig te onderzoeken. Wij moeten ophouden te denken dat de leervakken bestaan, opdat er ‘vak­ken’ geleerd worden; het moet ons duidelijk zijn: in de mens van de leeftijd van zeven tot veertien jaar moeten denken, voelen en willen op de juiste wijze ontwikkeld worden. Aardrijkskunde, rekenen, alles moet zo worden toegepast dat denken, voelen en willen op de juiste wijze ontwikkeld worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 10 augustus 1919 (bladzijde 50)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave (bladzijde 60-61). Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Rudolf Steiner – Antroposofie en socialisme (3) – Zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou uitgeblust op school komen.

Men zou van antroposofische zijde zulke nobele mensenvrienden niet  moeten antwoorden door eenvoudig te zeggen, dat de antroposofie met de strijd der partijen, met de alledaagse belangen niets van doen heeft. Zeker, het kan niet de taak van de antroposofen zijn in de politieke partijstrijd direct in te grijpen. Langs andere wegen moet hij nastreven de mensheid te dienen en te helpen dan de partijen en wetgevingen het doen kunnen. Maar hij moet er ook rekening mee houden, dat hij met een wereldvreemd, voor duizenden en duizenden mensen waardeloos streven ernstig voorbij zou gaan aan de werkelijke noden.

De antroposoof spreekt van de noodzaak de edele geestelijke krachten in de kinderziel niet te laten verkommeren; hij spreekt erover dat in ieder mens de kiem van het goddelijke verborgen ligt, en dat leerkrachten en opvoeders thuis en op school het als hun taak moeten zien voor deze kiem van het goddelijke te zorgen, dat zij de ziel van het kind tot een burger in het rijk van het eeuwige moeten maken. En de sociaal voelende mensenvriend antwoordt hem: ‘Jij kunt lang praten; zie toch eens die kinderen, voor wie de ouders geen ontbijt hebben, die zwak, hongerig en half bevroren van de kou met uitgebluste zielenkrachten op school komen. Is ten opzichte van hen vóór alles niet iets geheel anders noodzakelijk als te denken aan de eeuwigheid van de ziel?’

Wordt vervolgd

Bron: GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 432)