Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling

Iedere prikkeling in de psyche gaat bij het kind over op de circulatie, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel, geest zijn nog een. (Steiner spreekt hier met name over de eerst zeven levensjaren. r.v.d.). Daarom dringt iedere opwinding die uit de omgeving komt, verder door in het lichaam van het kind. En wanneer er nu een cholerische leerkracht die zich met zijn cholerisch temperament ongebreideld laat gaan, zich in de omgeving van een kind bevindt, gewoon er is, dan gaan die uitvallen van het cholerisch temperament – wat de leraar onder invloed van zijn temperament doet, wanneer hij niet die zelfbeheersing uitoefent die we nog zullen bespreken – over op de ziel van het kind, planten zich voort tot in het fysieke. 

Dat is het merkwaardige dat het terecht komt in de diepere lagen van het bestaan en wat in het zich ontwikkelende lichaam van de mens terecht komt, komt later tevoorschijn. Als het zaad dat in de herfst in de aarde wordt geplant, in de lente in de plant tevoorschijn komt, net zo komt wat in het kind op z’n achtste, negende jaar terecht komt, in z’n vijfenveertigste, vijftigste jaar weer naar boven en we zien de gevolgen van het cholerische temperament van de leraar die zich laat gaan, in de stofwisselingsziekten, niet alleen bij de volwassene, maar ook bij de mens op leeftijd, aan het licht komen. 

Onderzoek je goed, waarom we deze of gene mens op zijn veertigste, vijftigste jaar tegenkomen, aan reumatiek lijdend, als mens die aan allerlei stofwisselingsziekten lijdt, aan een slechte vertering, onderzoek je waarom dit mens zo is, zoals hij is, waarom hij zo vroeg jicht heeft, dan krijg je als antwoord: veel ervan moeten we toeschrijven simpelweg aan de cholerische leraar die de teugels liet vieren, toen hij met een kind op jonge leeftijd te maken had.

Bron: Rudolf Steiner – GA 308 – Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens – Stuttgart, 8 april 1924 (bladzijde 15-16)

Nederlandstalige bron: Rudolf Steiner – De wordende Mens – vertaling: Pieter H.A. Witvliet – Uitgeverij Pentagon

508x840

Eerder geplaatst op 19 september 2017 (5 reacties)

boze-leraar-45889475

Gezond verstand en moraal

Evenals de natuur er voor moet waken dat het kind ter wereld komt met welgevormde ogen en oren, evenzo moeten de wetten der menselijke zelfontwikkeling zorg dragen dat ‘s mensen hoger Zelf met de vereiste vermogens in het leven treedt. Deze wetten nu, die de vorming van de hogere geestesorganen zelf regelen zijn identiek met de wetten van gezond verstand  en moraal in de stoffelijke wereld. Gelijk het kind in de schoot der moeder rijpt in het stoffelijke Zelf de geestelijke mens.

De gezondheid van het kind is afhankelijk van een normale werking in het moederlijk lichaam. De gezondheid van de geestelijke mens is op dezelfde wijze gebonden aan de wetten van het gewone verstand en de in het fysieke leven heersende rede. Niemand kan een gezond hoger Zelf het aanzijn schenken, tenzij hij gezond denkt in de stoffelijke wereld. Een leven, dat natuur en rede recht doet wedervaren, vormt de grondslag voor alle geestesontwikkeling.

Bron: Rudolf Steiner – GA 10 – WIE  ERLANGT  MAN  ERKENNTNISSE DER  HÖHEREN  WELTEN? (bladzijde 155)

Nederlandse vertaling uit Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden – vierde druk (bladzijde 133-134) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

rudolf-steiner-around-1922-649x819

Rudolf Steiner in ongeveer 1922.  De man links met een boek in zijn hand is arts Ludwig Noll. De naam van de man rechts ben ik vergeten.

Door het kind spreekt de geestelijke wereld. De mensen weten het alleen niet. 

Ik heb al vaker de zin uitgesproken: De grootste wijze kan misschien het meeste van het kind leren. – En als feitelijk degene, die zelf in de geestelijke wereld zien kan, het kind voor zich heeft met de stroom die omhoog gaat in de geestelijke wereld, dan is het – vergeeft u de triviale uitdrukking – alsof hij in het kind zoiets als een telefoonverbinding met de geestelijke werelden heeft. Door het kind spreekt de geestelijke wereld. De mensen weten het alleen niet. De allerwijste kan het meeste van het kind leren. Het kind spreekt niet, maar de engel spreekt uit het kind.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Mission der neuen Geistesoffenbarung – München, 11 februari 1911 (bladzijde 64)

Eerder geplaatst op 20 januari 2017  (7 reacties)

Er is niets slechter voor het kind dan het te vroeg, vóór de geslachtsrijpheid, aan een zoge­naamd eigen oordeel te laten wennen

U weet dat tussen het zevende en het 14e, 15e jaar, wanneer de geslachtsrijpheid aanbreekt, in het kind de kracht leeft die omschreven kan worden als de kracht om te hande­len op gezag van autoriteit. Voor het kind bestaat er niets beters dan datgene wat het onderneemt te doen omdat door het kind vereerde mensen in zijn omgeving zeggen: dat is goed, dat moet gedaan worden. – Er is niets slechter voor het kind dan het te vroeg, vóór de geslachtsrijpheid, aan een zoge­naamd eigen oordeel te laten wennen. In de toekomst zal tus­sen het zevende en 14e jaar het gevoel voor autoriteit veel intensiever ontwikkeld moeten worden dan in het verleden het geval was.

De opvoeding zal in deze jaren steeds bewus­ter moeten worden gericht op het doen ontwaken van een zuiver autoriteitsgevoel in het kind; want wat het kind zich in deze jaren eigen moet maken, zal de basis vormen voor wat volwassenen in het sociale organisme zullen ervaren als de rechtsgelijkheid die ieder mens toekomt. Gelijke rechten zul­len er alleen langs deze weg kunnen komen, want de mensen zullen als volwassenen nooit rijp worden voor het gelijke recht van de mensen wanneer in hun kinderjaren niet het gevoel voor autoriteit is aangelegd. In het verleden moge een veel geringere graad van autoriteitsgevoel volstaan hebben; in de toekomst zal dat niet voldoende zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 9 augustus 1919 (bladzijde 19)

Ook te vinden in het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave. Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans. Met dank aan Pieter Witvliet, die het boek scande en mij per e-mail stuurde.

Eerder geplaatst op 14 oktober 2016  (2 reacties)

Het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart

Opvoeding wordt door de antroposofische geesteswetenschap niet opgevat als een wetenschap, niet als een theoretische kennis, maar als een echte kunst, als een kunst die te maken krijgt met het meest edele materiaal dat we in de wereld hebben, met de mens zelf, met het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart, wanneer het jaar na jaar, men zou willen zeggen, van week tot week ons laat zien, hoe door de fysiognomie, door de gebaren, door alles wat maar uitingen van leven in een kind zijn, hoe daar zichtbaar wordt het geestelijke, de ziel, die in het kind nog diep verborgen is als een goddelijke gave uit de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 – Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus – Londen, 20 november 1922 (bladzijde 243-244)  

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet

Zie voor de hele vertaling van deze voordracht zijn website: VRIJESCHOOL PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN – OPVOEDKUNST DOOR MENSKUNDE 

Eerder geplaatst op 9 augustus 2016 (4 reacties)