Karma en hulp

Iemand zou kunnen komen met de uitspraak: ‘Het is volkomen juist dat er dingen mis zijn gegaan met die persoon, want dit is de vergelding voor wat hij heeft gedaan tijdens zijn vorige incarnatie. Het is heel aannemelijk dat de dingen zo moeten verlopen, omdat zijn karma dat vereist.’ 

Mensen die dit zeggen, begrijpen karma niet, want om karma te begrijpen moeten we weten dat het karma van een ander ons helemaal niet aangaat! De vervulling van karma komt vanzelf; onze enige taak is om hem te helpen! We moeten echter alles aanpakken wat een gunstige verandering in zijn karma teweeg zou kunnen brengen. Dit weten en voelen maakt deel uit van een diep begrip van karma en zijn wetten.

Bron (Engelstalig): Rudolf Steiner – GA onbekend – Morality and Karma – Neurenberg, 12 november 1910

Getty_helping_verb-166678569-57a389495f9b58974a4efa80

Onderbewustzijn / Karma

U zult wel vaker hebben gehoord dat wanneer criminele naturen, bij wie het instinctieve onderbewuste zeer sterk werkt, iets hebben gedaan, een of andere handeling hebben verricht, dat ze dan een eigenaardig instinct hebben: ze worden teruggedreven naar de plaats van hun daad, ze zoeken de plaats van hun handeling op, een onbestemd gevoel drijft ze daar naar toe.

Zulke voorvallen komen alleen in speciale gevallen tot uiting, maar het is algemeen menselijk met betrekking tot veel gebeurtenissen. Want als we iets hebben gedaan, een handeling uitgevoerd hebben, zelfs als het een schijnbaar onbeduidende actie was, dan blijft het bestaan – men kan het niet anders zeggen, hoewel het natuurlijk weer tot uitdrukking komt in een soort imaginatie – er blijft iets in ons van wat we hebben gedaan, van waarmee we in aanraking zijn gekomen tijdens de handeling; een bepaalde kracht blijft met ons Ik verbonden van de actie die we hebben verricht, van wat we hebben gedaan. De mens kan helemaal niets anders dan bepaalde verbindingen maken met alle wezens die hij ontmoet, en met de dingen die hij aanpakt – hoewel ik natuurlijk niet alleen het fysieke aanpakken bedoel -, met waarmee hij in het leven het een of ander doet.

We laten overal onze sporen achter en het gevoel verbonden te zijn met de dingen waarmee we in contact zijn gekomen door onze handelingen, blijft aanwezig in ons onderbewustzijn. Dit komt bij zulke naturen, over wie ik zojuist heb gesproken, op een abnormale manier tot uitdrukking, omdat het onderbewustzijn heel instinctief oplicht in het gewone bewustzijn; maar in het onderbewustzijn heeft iedereen het gevoel terug te moeten keren naar waar hij door zijn acties mee in aanraking is gekomen. Dit is het ook wat ons karma vormt; hieruit komt ons karma voort.

Bron: Rudolf Steiner – GA 181 – Erdensterben und Weltenleben /Anthroposophische Lebensgaben / Bewußtseins-Notwendigkeiten für  Gegenwart und Zukunft – Berlijn, 19 maart 1918 (bladzijde 109-110)

Eerder geplaatst op 8 december 2019

rudolf-steiner-ga-181-erdensterben-und-weltenleben

Niet toevallig

De manier waarop wij mensen tegenwoordig in het leven bij elkaar komen is niet toevallig, beslist niet toevallig. Onze levensbanen brengen ons met bepaalde mensen in contact en met andere mensen niet. Maar dat berust tegenwoordig geheel en al op de werking van het karma van de afzonderlijke mensen. Want wij staan nu aan het begin van een ontwikkelingsperiode die de voorafgaande karmische ontwikkelingen van de mensen op een bepaald niveau heeft gebracht.

Denk eens, hoeveel minder karma de mensen in de eerste tijden van de aarde-ontwikkeling hadden verzameld! Elke keer dat wij incarneren wordt er nieuw karma gevormd. Eerst moesten de mensen elkaar immers onder aardse omstandigheden ontmoeten, zonder dat ze vroeger al bij elkaar waren geweest, om nieuwe karmadraden te spinnen. Maar doordat we ons nu zo heel vaak op aarde geïncarneerd hebben zijn de omstandigheden langzamerhand zo geworden, dat we eigenlijk in de regel geen mens meer ontmoeten met wie we in vroegere incarnaties niet al het een en ander hebben doorgemaakt. De mensen worden bijeengebracht door wat ze in vorige incarnaties hebben meegemaakt. Het lijkt ‘toevallig’, dat deze of gene mensen elkaar ontmoeten; in waarheid berust dit op ontmoetingen uit vorige incarnaties, waar de krachten ontwikkeld werden die hen nu in zekere zin weer bij elkaar brengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden  und  Toten: Wie kann die seelische Not der Gegenwart überwunden werden?- Zürich, 10 oktober 1916 (blz. 95)

Vertaling: Annerie Marx – Overgenomen uit Eenzaamheid en Vervreemding – Uitgeverij vrij geestesleven, Zeist – 1983 (blz. 12-13)

737x1200

Lichaam / Ziel / Geest

Drie dingen bepalen de levensloop van een mens tussen geboorte en dood. En daardoor is hij op drieërlei wijze afhankelijk van factoren die voorbij  geboorte en dood liggen. Het lichaam is onderworpen aan de wet van de  erfelijkheid; de ziel is onderworpen aan het zelfgeschapen lot. Men noemt dit door de mens geschapen lot met een oude uitdrukking zijn karma. En de geest moet gehoorzamen aan de wet van de  wederbelichaming, van de herhaalde aardelevens. – Je kunt dienovereenkomstig de verhouding tussen geest, ziel en lichaam ook als volgt uitdrukken: onvergankelijk is de geest; geboorte en dood beheersen het lichaam volgens de wetten van de fysieke wereld; het zielsleven, dat onderworpen is aan het lot, is de bemiddelaar die tijdens de levensloop op aarde geest en lichaam in samenhang brengt. Alle verdere kennis omtrent het wezen van de mens veronderstelt bekendheid met de ‘drie werelden’ waartoe hij behoort.

Bron (Duits): Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Wiederverkörperung  des Geistes und  Schicksal  (Reinkarnation  und Karma) bladzijde 39

Nederlands: Theosofie – Over de wetenschap van het bovenzinnelijke en het wezen van de mens: Wederbelichaming van de geest en levenslot (reïncarnatie en karma) blz. 73

Vertaald door Huib van Krimpen met een nawoord van Roel Munniks 

Rudolf  Steiner / Werken en voordrachten © 1994 Stichting Rudolf  Steiner Vertalingen Tweede druk 1998 Derde druk 2005 Vierde druk 2014 (oplage februari 2018)

geest-ziel-lichaam-2-728

Over pokken en vaccinatie (2 van 2)

Nu kunnen we begrijpen dat men in onze tijd tot inenting is overgegaan. We kunnen echter ook iets anders begrijpen, namelijk dat er bij de beste geesten van onze tijd een zekere weerzin tegen inenting bestaat. Dat heeft met iets innerlijks te maken; het is de uiterlijke zijde van iets innerlijks. En we kunnen nu zeggen: als wij aan de ene kant het orgaan doden, hebben wij ook de verplichting, als tegenwicht hiertegen, bij deze mens de materialistische inslag door een passende spirituele opvoeding een andere wending te geven. Dat zou de noodzakelijke tegenhanger zijn. Anders doen we maar half werk. 

Ja, we doen iets waar tegenover de mens zelf  in een latere reïncarnatie op de een of andere manier de tegenhanger moet scheppen, als hij het pokkengif in zich draagt en hem zo de eigenschap is ontnomen waardoor hij in feite tot de pokkenziekte wordt aangetrokken. Hebben we zijn bevattelijkheid voor pokken weggenomen, dan hebben we alleen de uiterlijke kant van de karmische werkzaamheid aangevat. 

Als we aan de ene kant hygiëne bedrijven, moeten we anderzijds de verplichting voelen de mensen wier organisme we veranderd hebben, ook iets voor hun ziel mee te geven. Inenting zal geen mens kwaad doen die in de jaren daarna een spirituele opvoeding krijgt. We hebben de weegschaal te ver laten doorslaan als we ons alleen op de ene kant richten en aan de andere geen gewicht toekennen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 120 – Die  Offenbarungen des  Karma – Hamburg, 25 mei 1910 (blz. 170)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 178-179). Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front