Geen tegenstrijdigheid

Ik heb al vaak benadrukt dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen natuurwetenschappelijk feiten, die terecht worden beweerd, en de geesteswetenschappelijke feiten die hier worden besproken. Dit verhoudt zich hetzelfde als bijvoorbeeld iemand zou zeggen: Hier is een mens, waarom leeft hij?

Dan kan iemand antwoorden: ‘Ik weet waarom hij leeft: hij leeft omdat hij longen heeft en omdat er buiten lucht is.’ Dat is vanzelfsprekend helemaal juist. Maar een andere persoon kan komen en zeggen: ‘Deze mens leeft door een heel andere reden. Hij is veertien dagen geleden in het water gevallen en ik sprong hem achterna aan en trok hem eruit: daarom leeft hij; want als ik er niet achteraan was gesprongen en hem uit het water had getrokken, dan leefde hij vandaag helemaal niet!’ 

Deze bewering is volkomen juist, maar de andere bewering is net zo juist. Dus het is volkomen juist, als iemand met de uiterlijke natuurwetenschap aantoont dat iemand de overgeërfde kenmerken van zijn voorouders in zich draagt; maar als men op zijn karma en andere factoren wijst, is het net zo juist.

Bron: Rudolf Steiner – GA 141 – Das  Leben  zwischen  dem  Tode und  der  neuen  Geburt im  Verhältnis zu  den  kosmischen  Tatsachen – Berlijn, 11 februari 1913 (bladzijde 142-143)

Eerder geplaatst op 30 november 2019  (1 reactie)

Het karakteristieke kenmerk van de tegenwoordige antroposoof (deel 6 van 6)  

Als we die culturele toestand willen karakteriseren, moeten we zeggen dat die uiterst gecompliceerd is. We moeten ook vaststellen dat wat de mensen doen, wat ze voor werk verrichten, steeds minder te maken heeft met waar ze liefde voor hebben. En als we zouden nagaan hoeveel mensen tegenwoordig door hun uiterlijke maatschappelijke positie werk moeten verrichten dat ze niet graag doen, dan zouden we zien dat hun aantal veel en veel groter is dan het aantal van hen die uitspreken: ‘Ik kan niet anders zeggen dan dat ik van mijn werk houd, dat het mij gelukkig en tevreden maakt.’ 

Kort geleden hoorde ik hoe iemand merkwaardige dingen tegen zijn vriend zei. ‘Overzie ik mijn leven in al zijn details, dan moet ik zeggen: als ik op dit moment mijn leven vanaf mijn geboorte zou moeten overdoen en dat zou kunnen doen zoals het mij belieft, dan zou ik weer precies hetzelfde doen wat ik tot nu toe heb gedaan.’ Daarop antwoordde zijn vriend: ‘Dan hoor jij tot een slag mensen dat in deze tijd erg zeldzaam is.’ Waarschijnlijk had deze persoon wat de meeste mensen van deze tijd betreft gelijk. Er zijn maar weinig tijdgenoten van ons die de uitspraak zouden doen dat ze dit leven, met alle vreugde, pijn, tegenslagen en weerstanden die het heeft gebracht, direct weer op zich zouden willen nemen en er heel tevreden mee zouden zijn als het hen weer precies hetzelfde zou brengen. Het valt niet te ontkennen dat dit feit, dat er tegenwoordig maar weinig mensen zijn die zogezegd hun huidige karma in alle details weer op zich zouden willen nemen, samenhangt met wat de huidige cultuur de mensheid heeft gebracht. 

Ons leven is gecompliceerder geworden, maar het is zo geworden als het is, door de verschillende karma’s van de momenteel op aarde levende individuen. Dat staat buiten kijf. Wie ook maar enig inzicht in de ontwikkelingsgang van de mensheid heeft, beseft heel goed dat we in de toekomst niet een leven tegemoet gaan dat minder gecompliceerd is. Integendeel, het leven zal alleen maar gecompliceerder worden. Het uiterlijke leven wordt steeds ingewikkelder, en hoeveel taken in de toekomst ook van de mens zullen worden afgenomen door machines: wanneer het in onze cultuur heersende klimaat niet drastisch verandert, zal het aantal mensen dat in hun fysieke incarnatie een zeker geluk kan ervaren, zeer gering zijn. En dat veranderde klimaat moet ontstaan uit het doordrongen raken van de menselijke ziel met de waarheid van reïncarnatie en karma.

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 90-91)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 296-297). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front

Het karakteristieke kenmerk van de tegenwoordige antroposoof (deel 5 van 6)  

Nu kunt u natuurlijk tegenwerpen: ‘Ja, wat zijn dat voor merkwaardige dingen, vreemde dingen die je daar zegt? Bij dichters, schrijvers of andere mensen met geestelijke bezigheden zal dat wel opgaan. Tegenover hen is het mooi preken over de vreugde, de liefde en de overgave die ze moeten opbrengen voor de positie die ze in het leven hebben. Maar hoe staat het met al die mensen die op posities staan en bezigheden hebben die toch bitter weinig sympathie kunnen wekken, die de mensen het gevoel kunnen geven dat ze tot de door het leven verwaarloosden en geknechten behoren?’ 

Wie zou willen ontkennen dat heel wat inspanningen in onze huidige cultuur erop zijn gericht voortdurend verbeteringen in ons leven aan te brengen die de onvrede met zulke onaantrekkelijke levenssituaties kunnen verzachten? Hoeveel partijtjes van allerlei pluimage, hoeveel sektarische bewegingen zijn er niet die het leven in alle opzichten zo willen verbeteren dat ook in uiterlijke zin een soort draaglijkheid wordt bereikt van het aardse leven van de mensheid? 

Maar al die inspanningen houden geen rekening met het feit dat de onvrede die veel mensen juist in deze tijd met het leven moeten hebben, op tal van manieren verbonden is met de ontwikkeling van de mensheid als geheel.In wezen zijn de mensen, door de wijze waarop ze zich in het verleden hebben ontwikkeld, tot zo’n soort karma gekomen, en uit het samenspel van al die verschillende karma’s is noodzakelijkerwijs de huidige ontwikkelingstoestand van de menselijke cultuur ontstaan. 

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 89)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 296-297). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front

Het karakteristieke kenmerk van de tegenwoordige antroposoof (deel 4 van 6)

Bovenal brengt de karmagedachte met zich mee– dat volgt geloof ik rechtstreeks uit onze beschouwing van gisteren– dat wij ons niet door een toeval in de maatschappij geplaatst moeten voelen. We moeten ons niet toevallig op onze plaats in het leven gesteld voelen, we moeten ons realiseren dat er als het ware een onbewust wilsbesluit ten grondslag ligt aan de plaats die we innemen; dat we in zekere zin, voordat we dit aardse bestaan betraden, in de geestelijke wereld tussen dood en geboorte, als resultaat van onze vorige incarnaties, het wilsbesluit hebben genomen– dat we alleen weer vergeten zijn toen we bezit namen van ons lichaam– om die plaats in te nemen waarop we nu staan. 

Het is dus het resultaat van ons eigen voorgeboortelijke, vooraardse wilsbesluit, dat we op deze plaats in het leven staan en dat we de drang hebben om juist die tegenslagen en moeilijkheden te ontmoeten die ons treffen. Als we dan van de wet van het karma overtuigd raken, kan het niet anders dan dat we in bepaalde zin affiniteit of zelfs liefde gaan ontwikkelen voor de positie die we in het leven hebben ingenomen, wat die positie ook mag zijn. 

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 88-89)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 295-296). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front

Het karakteristieke kenmerk van de tegenwoordige antroposoof (deel 3 van 6)

Het hele uiterlijke leven echter, zoals het zich tegenwoordig aan ons voordoet, toont het beeld van een menselijke samenleving die tot stand is gekomen met uitsluiting, met ontkenning zelfs, van de idee van reïncarnatie en karma. En alsof men alle mogelijkheden heeft willen afsluiten, dat mensen door de ontwikkeling van hun eigen ziel tot een besef van reïncarnatie en karma zouden komen, zo is dat uiterlijke leven tegenwoordig ingericht. 

Niets staat bijvoorbeeld zo haaks op een werkelijk besef van reïncarnatie en karma als het maatschappelijk principe, dat ieder voor het concrete werk dat hij verricht een bijbehorend loon, dat het werk als het ware betaalt, zou moeten krijgen. Zoiets klinkt toch vreemd, niet waar, heel vreemd! Nu moet u de zaak ook weer niet zo bekijken dat de antroposofie nu onmiddellijk alle bestaande maatschappelijke principes overboord zou willen gooien en halsoverkop een nieuwe maatschappelijke orde zou willen invoeren. Dat kan niet. Maar de mensen zouden vertrouwd moeten raken met de gedachte dat in een maatschappij waarin de voorstelling ‘loon naar werken’ heerst, waarin ieder dus door zijn werk moet verdienen wat hij voor zijn leven nodig heeft, er nooit een diepgewortelde overtuiging van reïncarnatie en karma kan komen. 

Voorlopig moet de bestaande maatschappelijke orde natuurlijk zo blijven, want juist de antroposoof moet begrijpen dat het bestaande net zo goed door het karma is veroorzaakt, en dat het in dit opzicht terecht en onvermijdelijk bestaat. Maar hij moet evenzeer kunnen begrijpen dat zich als een nieuwe kiem binnen het organisme van onze maatschappij datgene ontwikkelt wat uit de erkenning van de idee van reïncarnatie en karma kan en moet volgen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 87-88)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 294-295). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

9789060385166_front