Zonder verering komt geen mens ooit tot kennis

Zonder verering komt geen mens ooit tot kennis. Iemand kan nog zo’n scherp verstand of indringend vernuft bezitten, of zelfs schemerachtige helderziende krachten ontwikkeld hebben – tot echt, waar inzicht dringt men niet door zonder dat wat men grote verering noemt. Want de ware kennis kunnen ons alleen die wezens geven die in hun ontwikkeling de mensheid ver vooruit zijn gegaan. Iedereen geeft toe dat de individuele mensen verschillend ver zijn ontwikkeld. In onze materialistische tijd erkent men dat misschien niet zo graag, maar zekere verschillen kunnen niet worden betwist. Maar de meesten zijn wel van mening dat hun kennis al het hoogste is. Dat er nog hogere wezens zijn, die boven Goethe en Franciscus van Assisi uitgaan, dat zal men niet zo gauw toegeven. Niettemin is dat de basisvoorwaarde voor werkelijke kennis. Niemand bereikt die, als men niet deze grote verering heeft, welke door de nivellerende beschouwing van onze tijd geheel verloren is gegaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft – Berlijn, 7 mei 1906 (bladzijde 55)

Eerder geplaatst op 2 september 2014

Advertenties

Tolerantie voor andere meningen

Het is toch zeer merkwaardig in onze tijd dat zowat niemand meer fatsoenlijk  naar de ander luistert! Kan men eigenlijk nog wel één zin spreken, zonder dat de andere persoon al bij de eerste woorden zijn eigen mening zegt en mening tegenover mening staan blijft? Zo is in feite de huidige beschaving, dat niemand meer luistert, dat iedereen alleen zijn eigen mening waardevol vindt en dat hij iedereen die niet de mening heeft die hij zelf heeft voor een dwaas houdt. Maar, mijn lieve vrienden, als een mens een mening uit, en als we deze nog zo zeer als dwaas beschouwen, het is een menselijke mening, en het moet door ons worden verdragen, we moeten kunnen luisteren. […]

Als iemand zelf iets wijs geworden is, dan ziet men het graag – vergeef me  het gebruik van de harde uitdrukking – als mensen je domme dingen vertellen. Soms vindt men de domheden zelfs verstandiger dan wat de gemiddeld verstandige mensen (Duits: durchschnittsgescheiten Leute) zeggen, want achter de dwaasheden steekt soms oneindig veel meer menselijkheid dan achter de gemiddelde slimheden van de gemiddeld verstandige mensen. Voor een werkelijk steeds dieper doordringend inzicht in de wereld begint eigenlijk een steeds grotere interesse voor de menselijke dwaasheid. Want deze dingen zijn voor de verschillende werelden altijd verschillend. Een mens die een dwaas is in de ogen van een verstandig mens van onze gewone fysieke wereld, kan soms met deze dwaasheden de openbaring zijn voor iets wat wijsheden zijn in een heel andere wereld, die echter alleen, zou ik willen zeggen, gebroken en karikaturaal tevoorschijn komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 257 – Anthroposophische Gemeinschaftsbildung – Dornach, 4 maart 1923 (bladzijde 191-192)

Zonder bovenzinnelijke kennis is inzicht in de mens onmogelijk

Wat verkrijgt men dan eigenlijk door deze geesteswetenschap zoals ik ze nu in grote lijnen geschetst heb? Men krijgt voor alles een werkelijke mensenkennis. Zonder dat men in het bovenzinnelijke kan waarnemen, is het onmogelijk inzicht in de mens te hebben. […] En alleen vanuit echte mensenkennis kan ware onderwijskunst en ware opvoedkunst ontstaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Amsterdam, 28 februari 1921 (bladzijde 49-50)

Eerder geplaatst op 7 augustus 2014

Bijgeloof/Echte kennis

Wat ons behoeden kan voor mogelijke fouten en dwalingen die tot bijgeloof worden, dat kan enkel en alleen het streven naar een ware kennis zijn, naar een inzicht in de dingen. Iemand zal altijd op een of andere wijze in bijgeloof vervallen, als hij niet werkelijk in de diepte van de dingen wil doordringen. Het is nu eenmaal zo dat dit verlangen naar een zeker kwantum bijgeloof beslist macht uitoefent. En daarmee spreek ik de basiswet voor het bijgeloof uit, zoals ik het hiervoor al aangeduid heb, namelijk: Zolang de mens alleen in de waarneming van de fysieke omgeving blijft, zolang hij niet wil doordringen in spirituele kennis, tot werkelijk inzicht in de geestelijke oergronden van de dingen, zolang leeft in hem een bepaalde behoefte aan bijgeloof.

Bron: Rudolf Steiner – GA 57 – Wo und wie findet man den Geist? – Berlijn, 10 december 1908 (bladzijde 162)

Eerder geplaatst op 15 juli 2014 

Alles wat ons hier omgeeft, is uiterlijke uitdrukking van de geestelijke wereld

Het leven in de bovenzinnelijke wereld is geen leven in een onwerkelijke droomwereld, maar een leven in een gebied dat het leven in ons zintuiglijk gebied pas verklaarbaar en begrijpelijk maakt. Zoals een gewoon mens, die de wetten van de elektriciteit niet bestudeerd heeft, in een elektrisch aangedreven fabriek binnengaat, daar de wonderbaarlijke motoren en machines ziet en het niet begrijpt, zo begrijpt ook de gewone mens niet de drijvende krachten van de geestelijke wereld.

Het gebrek aan inzicht van de fabrieksbezoeker bestaat zolang als hij de wetten van de elektriciteit niet kent. Zo is de mens ook op geestelijk gebied zonder inzicht, zolang hij de geestelijke wetten niet kent. Er is niets in onze wereld dat niet, waar we ook gaan of staan, van de geestelijke wereld afhankelijk is. Alles wat ons hier omgeeft, is uiterlijke uitdrukking van de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 7 december 1905 (bladzijde 222-223)

Eerder geplaatst op 27 maart 2014