Over de onsterfelijkheid van de menselijke ziel

Tot de voor het menselijke leven allerbelangrijkste vragen behoort de kennis over de onsterfelijkheid van de ziel, over het blijvende wezen van de menselijke ziel voorbij geboorte en dood. Waarin zou de menselijke ziel meer geïnteresseerd kunnen zijn als in deze vraag? Vanuit interesse richt de mens zich op deze vraag. 

Nu zegt een oud spreekwoord van de geesteswetenschap: Pas hij kan een werkelijke kennis over de onsterfelijkheid verkrijgen, die het zo ver gebracht heeft dat het hem even draaglijk, even sympathiek is of hij onsterfelijk is of niet. Voordien vertroebelt de interesse de werkelijke kennis.

Alleen wanneer men zich zo geschoold heeft, zijn gevoelens zo geregeld heeft dat men de gedachte ‘je gaat met de dood in het niets over’ even goed verdragen kan als de gedachte ‘je leeft voort na de dood’ -, pas dan is het mogelijk tot een objectieve kennis door inspiratie over de onsterfelijkheid van de ziel te komen. Het is een moeilijke innerlijke arbeid om zijn gevoelsleven zo te regelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 69a – Wahrheiten und Irrtümer der Geistesforschung/ Geisteswissenschaft und Menschenzukunft – München, 25 november 1912 (bladzijde 119-120)

Eerder geplaatst op 17 oktober 2016  (8 reacties)

Moraal/Interesse/Medeleven

Geestelijke scholing hangt nauw samen met de verhoging van de morele kracht, en daarom zal elke juist meegedeelde spirituele scholing vóór alles aan versterking en vestiging van de morele kracht werken. Daarom kunt u overal waar u de beschrijving van de methoden vindt, door welke men in hogere werelden doordringt, bijvoorbeeld in mijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden, tegelijk de aanwijzingen vinden voor de noodzaak van de versterking van de morele kracht. Want de morele kracht mag niet alleen zo blijven als ze in het gewone leven in de fysieke wereld is, maar ze moet verhoogd en standvastig gemaakt worden.

Bovenal komt dit voor ons naar voren, als we tot de intuïtie komen, waardoor de ziel die een geestesonderzoeker geworden is, in staat is zich rechtstreeks in het innerlijk te verplaatsen van een ander geestelijk wezen of een ander geestelijk feit. Dan zullen we zien dat het bijna een onmogelijkheid wordt om zich na de geestelijke scholing werkelijk in andere wezens in te leven, als men er niet al hier in de fysieke wereld voor heeft gezorgd dat versterkt wordt wat men noemen kan open interesse voor alles, wat ons omgeeft, vrije, open interesse.

Alle bekrompen geslotenheid, al het verbergen van de ziel in zichzelf, alles wat niet de opmerkzaamheid van de ziel leiden wil naar medelijden en medeverheugen van medeschepselen en van alles wat ons in de zintuiglijke wereld omgeeft, dat alles houdt de ziel ervan af, als ze in de geestelijke wereld is opgestegen, tot ware intuïtie, tot ware inzichten in hogere wezens te komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 62 – Ergebnisse der Geistesforschung – Berlijn, 3 april 1913 (bladzijde 431-432)

Eerder geplaatst op 12 oktober 2016   (10 reacties)

Interesse en erotiek

Als men ziet dat de erotiek in een bijzonder schrikbarende mate op deze leeftijd (Steiner spreekt hierover de leeftijd van ongeveer 14 tot 18 jaar) naar voren komt, dan hebben de leraren daaraan schuld, doordat ze oersaai zijn en geen interesse wekken. En wanneer de kinderen geen interesse in de wereld hebben, ja, waaraan zullen ze dan denken? Aan niets anders dan wat in hun lichaam, in hun hart, hun buik, in hun longen werkt, als er op een vervelende wijze over wiskunde, geschiedenis enzovoort gesproken wordt. Door de afleiding naar interesse in de wereld is dit enkel en alleen te voorkomen, en daarop komt het ontzettend veel aan. In feite heeft bij het overheersen van de erotiek, bij dit te veel aandacht voor de erotiek van de kinderen in deze leeftijdsgroep, als ze nog op school zitten, dan altijd de school daaraan schuld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 302a – Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis – Stuttgart, 21 juni 1922 (bladzijde 85-86)

Eerder geplaatst op 28 september 2016  (2 reacties)

Over geheugenverbetering

Alleen door op het gewoonteleven van de mens, op zijn gewoonten te werken vormt u de wil en daarmee het herinneringsvermogen. Met andere woorden: u moet nu doorzien waarom alles wat bij een kind een intensieve interesse wekt, er ook toe bijdraagt zijn geheugen daadwerkelijk te versterken. Want het geheugen moet men versterken vanuit het gevoel en de wil en niet door bijvoorbeeld pure intellectuele geheugentraining.

Bron: Rudolf Steiner – GA 293 – Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik – Stuttgart, 29 augustus 1919 (bladzijde 122)

Eerder geplaatst op 29 juni 2016  (1 reactie)

De doden / Veroordelen / Universele mensenliefde

We moeten niet geloven dat de dode niet een levendige interesse heeft in de mensen op aarde. Dat heeft hij, woant de mensenwereld is een deel van de hele kosmos; ons leven maakt er deel van uit. En net zoals wij geïnteresseerd zijn in de ondergeschikte rijken in de fysieke wereld, zo zijn de doden intens geïnteresseerd in de menselijke wereld, en daar sturen ze hun impulsen naar toe; door de levenden werken ze op de wereld in. […]

Maar de dode ziet bovenal één ding heel duidelijk. Hij ziet hoe een mens, die impulsen van haat volgt, die een of ander haat vanuit louter persoonlijke bedoelingen; dat ziet de dode. Maar de dode moet door zijn manier van kijken, door wat hij kan weten, heel duidelijk het aandeel zien dat Ahriman hierin heeft, hoe Ahriman bijvoorbeeld de mens aanzet tot haat; de dode ziet Ahriman aan mensen werken.

Aan de andere kant, wanneer de mens hier op aarde ijdel is, ziet hij Lucifer aan hem werken. Dat is het essentiële punt dat de dode de mensen ziet in samenhang met de ahrimanisch-luciferische wereld. Daardoor valt voor de doden dat weg, wat ons menselijk oordeel vaak geheel en al kleurt. We zien deze of gene die we op de een of andere manier veroordelen; we schuiven hem in de schoenen, wat we afkeurenswaardig aan hem vinden. De dode verwijt het de mens niet onmiddellijk, maar hij ziet hoe de mens door Ahriman of Lucifer verleid is. 

Dit veroorzaakt wat we een afdemping kunnen noemen van de scherp gedifferentieerde gevoelens die we in ons fysieke aardse leven voor deze of gene persoon hebben. Voor de doden komt veel meer een soort universele menselijke liefde naar voren. Gelooft u niet dat de dode niet zou kunnen kritiseren, dat wil zeggen: het kwaad op de juiste manier zien. Hij ziet het wel; alleen hij kan het herleiden naar de oorsprongen, naar de samenhangen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden und Toten – Bern, 9 november 1916 (bladzijde 190-191)