Van geld kan niemand leven

Hoeveel mensen bestaan er tegenwoordig die een geheel abstracte verwarde voorstelling van het leven, van hun persoonlijke leven hebben. Hoe leef ik? Dan zeggen ze tot zichzelf: “Nu, van mijn geld.” Onder hen zijn velen die dit geld van hun ouders geërfd hebben en nu geloven dat zij daarvan leven. Maar van geld kan men niet leven. Daar moet eerst eens begonnen worden met nadenken. En deze vraag hangt innig samen met de werkelijke interesse die men van mens tot mens heeft. Wie gelooft, dat hij leeft van het geld, dat hij geërfd heeft bijvoorbeeld of dat hij op de een of andere wijze heeft verworven (behoudens zoals tegenwoordig het geval is, dat men geld krijgt uit arbeid), wie zo leeft en gelooft, dat hij van geld kan leven, die heeft geen belangstelling voor zijn medemensen, omdat van geld niemand kan leven. De mens moet eten en wat gegeten wordt, dat moet door deze en gene mensen door arbeid opgeleverd worden. De mens moet zich kleden. Datgene wat hij aantrekt, moeten mensen maken. Opdat ik een jas kan aantrekken of een pantalon, moeten mensen urenlang hun arbeidskracht geven om dat tot stand te brengen. Die werken voor mij. Daarvan leef ik en niet van mijn geld.

Mijn geld heeft geen andere waarde dan dat het mij de macht geeft de arbeid van anderen te benutten. En zoals de sociale verhoudingen tegenwoordig liggen begint men eerst interesse voor zijn medemensen te krijgen, wanneer men de vraag voor zich op behoorlijke wijze beantwoordt. Wanneer men in de geest voor zich ziet: zoveel mensen moeten zoveel uren werken, opdat ik in de sociale structuur kan leven. Het gaat niet daarom, dat men zich op de borst slaat, terwijl men zegt: ik heb de mensen lief. Men houdt niet van mensen wanneer men gelooft, dat men van zijn geld leeft en zich niet in het minst kan voorstellen hoe de mensen voor iemand werken voordat men nog slechts het levensminimum krijgt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186 – Die soziale Grundforderung unserer Zeit/In geänderter Zeitlage – Dornach, 30 november 1918 (bladzijde 45-46)

28199412-1579-4f2a-bd20-c2bfc9618649

Eerder geplaatst op 30 maart 2018  (11 reacties)

De doden / Veroordelen / Universele mensenliefde

We moeten niet geloven dat de dode niet een levendige interesse heeft in de mensen op aarde. Dat heeft hij, want de mensenwereld is een deel van de hele kosmos; ons leven maakt er deel van uit. En net zoals wij geïnteresseerd zijn in de ondergeschikte rijken in de fysieke wereld, zo zijn de doden intens geïnteresseerd in de menselijke wereld, en daar sturen ze hun impulsen naar toe; door de levenden werken ze op de wereld in. […]

Maar de dode ziet bovenal één ding heel duidelijk. Hij ziet hoe een mens, die impulsen van haat volgt, die een of ander haat vanuit louter persoonlijke bedoelingen; dat ziet de dode. Maar de dode moet door zijn manier van kijken, door wat hij kan weten, heel duidelijk het aandeel zien dat Ahriman hierin heeft, hoe Ahriman bijvoorbeeld de mens aanzet tot haat; de dode ziet Ahriman aan mensen werken.

Aan de andere kant, wanneer de mens hier op aarde ijdel is, ziet hij Lucifer aan hem werken. Dat is het essentiële punt dat de dode de mensen ziet in samenhang met de ahrimanisch-luciferische wereld. Daardoor valt voor de doden dat weg, wat ons menselijk oordeel vaak geheel en al kleurt. We zien deze of gene die we op de een of andere manier veroordelen; we schuiven hem in de schoenen, wat we afkeurenswaardig aan hem vinden. De dode verwijt het de mens niet onmiddellijk, maar hij ziet hoe de mens door Ahriman of Lucifer verleid is. 

Dit veroorzaakt wat we een afdemping kunnen noemen van de scherp gedifferentieerde gevoelens die we in ons fysieke aardse leven voor deze of gene persoon hebben. Voor de doden komt veel meer een soort universele menselijke liefde naar voren. Gelooft u niet dat de dode niet zou kunnen kritiseren, dat wil zeggen: het kwaad op de juiste manier zien. Hij ziet het wel; alleen hij kan het herleiden naar de oorsprongen, naar de samenhangen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden  und  Toten – Bern, 9 november 1916 (bladzijde 190-191)

rudolf-steiner-ga-168-die-verbindung-zwischen-lebe

Eerder geplaatst op 27 april 2020  (3 reacties)

Over onderwijs en kunst

Het is onze taak om in onze onderwijsmethode altijd de gehele mens in aanmerking te nemen (Duits: in Anspruch nehmen). Dat zouden we niet kunnen doen als we niet op de vorming van het kunstzinnig gevoel in de menselijke aanleg onze aandacht zouden richten. Daarmee zullen we de mens ook voor later  geneigd maken met zijn gehele wezen interesse te winnen voor de hele wereld. 

De basisfout is tot op vandaag de dag altijd geweest dat mensen zich alleen met hun hoofd hebben geplaatst in de wereld; het andere deel hebben ze alleen maar meegesleept. En het resultaat is dat nu de andere delen zich naar hun dierlijke instincten richten, zich emotioneel uitleven – zoals we het nu beleven in wat zich zo extreem verspreidt vanuit het oosten van Europa. Dit treedt nu op  doordat niet aan de hele mens zorg is besteed (Duits: gepflegt worden ist)

Echter niet alleen moet er aan het kunstzinnige zorg worden besteed, maar het gehele onderwijs moet uit het kunstzinnige worden ontnomen. Alle methodologie moet in het kunstzinnige worden ondergedompeld. Het opleiden en onderwijzen moet een werkelijke kunst worden. De kennis mag ook daar alleen maar de basis zijn. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 294 – Erziehungskunst/Methodisch-Didaktisches – Stuttgart, 21 augustus 1919 (bladzijde 11)

51GmFafEfsL._SX355_BO1,204,203,200_

Eerder geplaatst op 29 juli 2019 (6 reacties)

Interesse in mensen

Wat de mensheid enkel en alleen tot zegen kan strekken in de toekomst – ik heb het over de mensheid, dus over het sociale leven, het samenleven – moet een eerlijke interesse zijn van de ene mens voor de andere. Wat het tijdperk van de bewustzijnsziel met name eigen is, is de afzondering van de ene mens van de andere. Zeker, het is nodig om een individu te zijn, een persoonlijkheid te zijn, dat de ene mens zich ook innerlijk van de andere afzondert. Maar deze afzondering moet een tegenpool hebben, en die tegenpool moet bestaan uit het aankweken van een actieve belangstelling van mens tot mens. 

Wat ik hier bedoel, dit oppakken van een actieve belangstelling van mens tot mens, dat moet steeds bewuster ter hand worden genomen in het tijdperk van de bewustzijnsziel. Alles wat persoonlijke interesse in de ander is, moet steeds meer in het bewustzijn worden opgetild.

Bron: Rudolf Steiner – DE STRIJD OM HET MENS-ZIJN – Aspecten van het kwaad – Dornach, 25 oktober 1918 (blz. 28)

Vertaald door Frans van Bussel en Tineke Croese. Met een nawoord van Mathijs van Alstein.

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten onder redactie van Frans van Bussel, Michel Gastkemper en Roel Munniks

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten © 2014 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen Oplage april 2017

Duitstalig: GA 185 (blz. 95)

758x1200

Over moraliteit en medegevoel

In feite zijn alle morele daden terug te voeren op de onzelfzuchtigheid, alle immorele daden op het egoïsme. Alleen is in het gewone leven een werkelijk morele beoordeling gemaskeerd doordat iemand eigenlijk zeer immoreel, namelijk door en door van egoïstische motieven vervuld kan zijn, maar de door de conventie bepaalde morele regels volgt. Dat zijn echter helemaal niet zijn eigen regels. Dan is hij aangepast (Duits: eingefädelt) aan wat hem is bijgebracht, of wat hij doet omdat hij zich schaamt voor wat de anderen zullen zeggen.

Hij is ingevoegd als een schakel in een ketting. Maar het ware morele, dat van de menselijke individualiteit eigenlijk deel is (Duits: haftet), in hem leeft, is zodanig ingesteld, dat het goede komt van de interesse die we in de andere mensen hebben; van de interesse die we verwerven kunnen doordat we wat anderen voelen en ervaren als ons eigen voelen en ervaren kunnen, terwijl het immorele in zijn oorsprong iets is, waarbij de mens zich afsluit, waar hij niet meevoelt wat andere mensen voelen.

Goed denken wil in feite zeggen: zich in andere mensen verplaatsen kunnen, slecht denken wil zeggen: zich niet in andere mensen verplaatsen kunnen. Dat kan dan tot een wet worden, tot conventionele regels, tot dingen waarvoor men zich schaamt of niet schaamt. Daardoor kan wat eigenlijk egoïsme is, zeer teruggedrongen worden onder de conventie. Maar het is feitelijk voor de beoordeling van de morele waarde toch niet maatgevend, wat de mens doet, maar men moet dieper in het menselijke karakter, in de menselijke natuur kijken om de eigenlijke morele waarde van de mens te kunnen beoordelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 221 – Erdenwissen und Himmelserkenntnis – Dornach, 17 februari 1923 (bladzijde 117-118)

Eerder geplaatst op 2 september 2017  (89 reacties)

QUALITYSUPPORT25256_web