Het tijdperk van het intellectualisme

We kunnen zeggen dat het tot een van de kenmerkende eigenschappen (Duits: Eigentümlichkeiten) van de huidige tijd behoort dat vóór alles het  denken, het intellectualisme zich sinds het midden van de vijftiende eeuw heeft ontwikkeld. De mensheid moest eenmaal door de grote scholing, welke ze doormaakt door de hele aarde-ontwikkeling, ook door deze opvoeding van het intellectualisme gaan. De mensheid moest in zekere zin proberen hoe het mensenleven geleefd kan worden als in hoofdzaak het intellectualistische principe van het denken wordt ontwikkeld. De mens zou nooit  tot ware vrijheid opgevoed kunnen worden zonder de opkomst van het intellectuele beginsel in zijn wezen. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 197 – Gegensätze in der Menschheitsentwickelung / West und Ost, Materialismus und Mystik, Wissen und Glauben – Stuttgart, 5 maart 1920 (bladzijde 9-10)

Eerder geplaatst op 9 juni 2018

02888682z

Intellectuele bescheidenheid

We zouden met intellectuele bescheidenheid moeten toegeven dat we de wereld niet kunnen doorzien met datgene waarmee we geboren zijn. En dan toegeven dat er manieren kunnen zijn voor zelfontplooiing, voor ontwikkeling van innerlijke krachten in de mens, die wel in staat zijn om te zien wat geest en ziel is in wat anders alleen aanwezig is voor de zintuigen. 

En dat dit in de praktijk mogelijk is, dat is wat de genoemde geschriften willen laten zien. Dit moet vandaag naar voren moet worden gebracht om de reden dat het intellectualisme dat in de loop van de laatste eeuwen in de ontwikkeling van de mensheid is ontstaan, niet in staat is het leven werkelijk te beheersen (Duits: zu meistern)

Het intellectualisme is in staat door te dringen in een gebied van dit leven, in het gebied van de levenloze natuur, maar het moet onderuitgaan (Duits: straucheln) tegenover de menselijke werkelijkheid zelf, met name de sociale werkelijkheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 332a – Soziale  Zukunft – Zürich, 28 oktober 1919 (bladzijde 124)

Rudolf_Steiner_um_1891

1891 – door Otto Fröhlich

Het intellectualisme zegt niets over de werkelijkheid

Waarin is eigenlijk de tegenwoordige mensheid bijzonder groot en waarvan is ze het meest verrukt? Nu, van congressen in het publieke leven. Niet van het zich rustig met het wezen van een zaak bekend maken, maar naar congressen gaan en daar over de dingen discussiëren. Want tot het discussiëren behoort uiteindelijk het intellectualisme. Men gaat niet in op de essentie. Men heeft de essentie al en discussieert daarover. Men komt samen en spreekt over al het mogelijke. De congresgewoonte, het discussiëren, dat is wat uit het intellectualisme voortkomt en wat anderzijds tot wereldvreemdheid leidt. 

En zo kan men het gevoel hebben dat in feite onze congressen als iets illusoirs boven de werkelijkheid zweven. Daaronder gebeurt allerlei in het leven, en op congressen wordt prachtig daarover gesproken, ook geestrijk daarover gesproken. Ik kritiseer de congressen zeker niet in minachtende zin. Ik vind dat er op de congressen veel buitengewoon scherpzinnigs wordt gesproken. Het is in de regel zo dat men het met wat A zegt eens kan zijn en met wat B zegt eens kan zijn, ook als dit het tegenovergestelde is, men kan vanuit een zeker gezichtspunt ook daarmee het weer eens zijn. Evenzo met C. 

Men kan eigenlijk altijd op congressen vanuit een bepaald standpunt het met alles eens zijn. Waarom? Omdat alles in het intellectualisme pendelt en het intellectualisme niets over de werkelijkheid zegt. En zo kan eigenlijk onze hedendaagse werkelijkheid verlopen, zoals ze verloopt, ook zonder dat die congressen er zijn. Men zou het volkomen kunnen ontberen, wat op congressen besproken wordt, ondanks dat men oprechte en werkelijke vreugde kan beleven aan al de schranderheid, die daar ontvouwd wordt, want alles is eigenlijk in principe goed.

Bron: Rudolf Steiner – GA 303 – Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens Eine Einführung in die anthroposophische Pädagogik und Didaktik – Dornach, 24 december 1921 (bladzijde 39)

Eerder geplaatst op 6 juli 2016

Partijmeningen

Het huidige menselijke denken, het tegenwoordige intellect ligt in een zodanige laag van het zijn dat het de realiteiten niet bereiken kan. En daardoor kan men het ene bewijzen en het tegendeel bewijzen, zeer strikt het ene ding en het tegenovergestelde bewijzen. Het is vandaag de dag mogelijk aan de ene kant streng het spiritualisme te bewijzen en evenzo streng het materialisme te bewijzen. En men kan elkaar bestrijden met dezelfde goede standpunten, omdat het huidige intellectualisme in een bovenste laag van de werkelijkheid ligt en niet in de diepten van het zijn gaat. 

En zo is het ook met de partijmeningen. Wie dat niet doorziet, maar zich eenvoudig laat meenemen in een bepaalde partijkring door zijn opvoeding, overerving, door zijn politieke en andere levensomstandigheden, die gelooft, naar hij meent, oprecht aan de bewijskracht van wat in deze partij is, waarin hij is terechtgekomen, hineingeschlittert is, zoals men in de Duitse taal soms ook zegt. En dan, dan strijdt hij tegen een ander, die in een andere partij hineingeschlittert is. En de ene heeft netzogoed gelijk als de andere. En dit roept over de mensheid een chaos en verwarring af, die steeds groter en groter kunnen worden, als de mensheid dat niet doorziet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 193 – Der innere Aspekt des sozialen Rätsels – Zürich, 27 oktober 1919 (bladzijde 172-173)

Eerder geplaatst op 21 april 2015  (3 reacties)

Het tijdperk van het intellectualisme

We kunnen zeggen dat het tot een van de eigenaardigheden van de huidige tijd behoort dat vóór alles het  denken, het intellectualisme zich sinds het midden van de vijftiende eeuw heeft ontwikkeld. De mensheid moest eenmaal door de grote scholing, welke ze doormaakt door de hele aarde-ontwikkeling, ook door deze opvoeding van het intellectualisme gaan. De mensheid moest in zekere zin proberen hoe het mensenleven geleefd kan worden als in hoofdzaak het intellectualistische principe van het denken wordt ontwikkeld. De mens zou nooit  tot ware vrijheid opgevoed kunnen worden zonder de opkomst van het intellectuele beginsel in zijn wezen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 197 – Gegensätze in der Menschheitsentwickelung / West und Ost, Materialismus und Mystik, Wissen und Glauben – Stuttgart, 5 maart 1920 (bladzijde 9-10)