Een skelet van stro tegenover de levende werkelijkheid  

Hoewel er geesteswetenschap moet zijn, ondanks het feit dat onze tijd geesteswetenschap vereist, moeten we het in zekere opzicht toch ervaren als een skelet van stro tegenover de levende werkelijkheid. Dat is bepaald niet te veel gezegd. Want voor zover antroposofie of geesteswetenschap alleen ons verstand bezighoudt, voor zover we er alleen met het intellect bij zijn, voor zover we alleen schema’s en technische termen vormen, in het bijzonder in de gedeelten die op de mens zelf betrekking hebben, in zoverre is antroposofie een levenloos skelet.

En het begint pas wat draaglijker te worden als we bijvoorbeeld de verschillende toestanden kunnen weergeven (Duits: ausmalen) van Saturnus, Zon en Maan en de vroegere aardetijdperken, of de activiteiten van de verschillende hiërarchieën. Gruwelijk is het echter om ervan te spreken: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en ik – of zelfs uit Manas en Kama-Manas – en nog afschuwelijker is het als men in schema’s en op lijsten deze dingen weergegeven heeft.

Ik kan me nauwelijks iets verschrikkelijkers indenken dan de gehele, op zichzelf grandioze mens en dan daarnaast op een schoolbord de mens met de zeven wezensdelen; in een grote zaal omringd te zijn door een groot aantal mensen en naast zich een schoolbord te hebben met een schema (Duits: Skala) van de zeven menselijke elementaire wezensdelen. Ja, zo is het. Maar zo moeten we het ervaren, er is geen ontkomen aan. […] Dat is de missie van onze tijd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 286 – WEGE ZU EINEM NEUEN BAUSTIL – Berlijn, 12 december 1911 (bladzijde 28-29)

Eerder geplaatst op 1 februari 2018

f2b09c86-7bea-11e5-9123-b8e380c1c23b

Ongelooflijk belangrijk: Niet te vroeg een beroep doen op het intellect 

Pas als de mens geslachtsrijp is geworden en op die manier fysiologisch een heel andere verhouding krijgt tot de wereld om zich heen, krijgt hij ook in zijn zielenleven en in zijn fysieke, lichamelijke leven in de meest omvattende zin een heel andere verhouding tot de wereld om zich heen dan daarvoor. Dan pas ontwaakt de geest in de mens. Dan pas zoekt de mens in alles wat gesproken wordt het oordelende, het logische. Dan pas kunnen wij hopen de mens op te kunnen voeden en te onderwijzen door aan zijn intellect te appelleren. Het is ongelooflijk belangrijk dat wij niet, zoals men tegenwoordig zo graag doet, op het intellect bewust of onbewust te vroeg een beroep doen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 305 – Die  geistig-seelischen  Grundkräfte der  Erziehungskunst – Oxford, 16 augustus 1922 (blz. 23-24)e

Overgenomen van de website van Pieter H.A. Witvliet: VRIJESCHOOL / PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Deze tekst is ook te vinden in: Rudolf Steiner – Opvoeding en Onderwijs – Spirituele grondslagen – Vertaling Leonard Beuger (blz. 25)

Opvoeding-en-onderwijs

Denken en handenarbeid

Ik weet dat de inzichten die ik vandaag de dag met volle verantwoordelijkheid voor de wereld vertegenwoordig, niet zou hebben gekregen, als ik uitsluitend met het hoofd gewerkt zou hebben, als ik niet mijn hele leven zoiets zou hebben moeten doen, wat men gewoonlijk handenarbeid noemt; want dit heeft immers ook een bepaalde werking op de mens. Wat alleen het zogenaamde hoofdwerk is, wat alleen het intellect in beslag neemt, dat reikt niet tot de geest.

Bron: Rudolf Steiner – GA 333 – Gedankenfreiheit und soziale Kräfte – Stuttgart, 19 december 1919 (bladzijde 102)

Eerder geplaatst op 17 maart 2014 (13 reacties)

Geboden in intellectualistische vorm bederven veel bij kinderen  

Dat is het ontzaglijk belangrijke bij de morele opvoeding: Als we de kinderen kant en klare geboden bijbrengen, die al begrippen zijn, dan vergen we van hen de moraal in ideeënvorm op te nemen, en dan komt de antipathie; tegen morele geboden, die abstract zijn geformuleerd, verzet het innerlijk organisme van de mens zich, komt het in opstand.

Als ik het kind beweeg om zelf eerst uit het leven, uit het gemoed, uit het voorbeeld, uit alle dingen het morele gevoel te formuleren, en het dan tot onderscheiding laat komen, zodat het kind zelf de geboden vormt, zichzelf autonoom, in vrijheid de zedelijke geboden vormt, dan breng ik het in een activiteit die zijn hele persoon vereist. Met morele geboden maak ik echter de kinderen de moraal tegen, en dat speelt een rol van enorme betekenis in ons tegenwoordige sociale leven. Men heeft er geen flauw idee van hoezeer de mensheid een grondige afkeer heeft gekregen van de prachtigste, edelste morele impulsen, omdat die via het intellect zijn gegeven in de vorm van geboden en intellectualistische ideeën. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 305 –Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst – Oxford, 25 augustus 1922 (bladzijde 173-174)

Eerder geplaatst op 26 september 2015 (4 reacties)

We moeten niet geloven dat, als we het intellect ontwikkelen, we ook het geestelijke in de mens ontwikkelen

Het intellect is vooralsnog het meest geestelijke in ons; als we het echter eenzijdig ontwikkelen, gevoel en wil niet met hem, dan ontwikkelen we altijd de neiging naar materialistisch denken. Hoewel het intellect in onszelf het meest geestelijke is gedurende het fysieke aardeleven, heeft dit intellect in ons de drang naar het materialisme. We moeten namelijk niet geloven dat, als we het intellect ontwikkelen, we ook het geestelijke in de mens ontwikkelen. Hoe tegenstrijdig het ook klinkt, toch is het waar: we ontwikkelen in de mens alleen het vermogen om het materiële te begrijpen doordat we zijn intellect ontwikkelen. 

Pas doordat we op smaakvolle, esthetische wijze zijn gemoed, zijn gevoelsleven ontwikkelen, pas daardoor wijzen we het intellect van de mens op het geestelijke. En pas doordat we wilsopvoeding bedrijven, zelfs als deze wilsopvoeding wordt gedaan door uiterlijke handvaardigheid, leggen we in de mens de basis voor het richten van het verstand op de geest. Als zo weinig mensen tegenwoordig de neiging hebben het intellect op de geest te richten, dan berust dit op het feit dat de wil zo verkeerd geschoold werd tijdens de kinderjaren.

Waardoor leren we echter als leraar de wil op de juiste manier op te voeden? Ik heb daar onlangs al opmerkzaam op gemaakt: We leren het doordat we het kind vóór alles actief laten zijn in de kunst; dat we zo mogelijk vroeg muziek, tekeningen, schilderijen het kind niet alleen laten aanhoren en aanschouwen, maar voor zover het mogelijk is, laten meedoen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297 – Idee und Praxis der Waldorfschule – Stuttgart, 31 augustus 1919 (bladzijde 60)

Eerder geplaatst op 5 september 2015 (3 reacties)