Grote waarheden zijn niet eenvoudig

Als de mensen de waarheid graag op een “eenvoudige manier” willen horen, dan berust dat op menselijke gemakzucht; men wil niet te veel moeten denken; maar de grootste en diepste waarheden zijn slechts ten koste van de uiterste geestelijke inspanning te begrijpen. Als een mens zich al zo moet inspannen om een machine duidelijk te beschrijven, moet hij werkelijk niet verlangen, dat de diepste waarheden zonder moeite te vatten zijn!

Bron: Rudolf Steiner – GA 114 -Das Lukas-Evangelium – Bazel, 19 september 1909 (bladzijde 107-108)

md31174856058

Eerder geplaatst op 5 november 2015  (9 reacties)

Berouw

De mensen beschouwen het als ik weet niet wat voor grote daad, wanneer ze berouw hebben over een handeling. Maar dat is niet het beste wat je met een handeling kunt doen. Want het berouw berust dikwijls op puur egoïsme. Men had iets beter willen doen om een beter mens te zijn. Dat is egoïstisch. Maar ons streven wordt pas bevrijd van egoïsme, wanneer men niet de al uitgevoerde handeling beter gedaan wenst te hebben, maar wanneer men er veel grotere waarde aan hecht dezelfde handeling de volgende keer beter uit te voeren. Dit voornemen, deze inspanning om iets volgende keer beter te doen – dat is het hoogste en niet het berouw.

Bron: Rudolf Steiner – GA 293 – ALLGEMEINE MENSCHENKUNDE ALS GRUNDLAGE DER PÄDAGOGIK – Stuttgart, 25 augustus 1919 (bladzijde 69)

Eerder geplaatst op 11 februari 2018  (1 reactie)

hqdefault

Het lot schonk mij een bijzondere taak op het gebied van de pedagogie (2 van 3)

Door deze pedagogische taak werd er voor mij een rijke bron van kennis aangeboord. Door wat ik in de praktijk te brengen had, opende zich voor mij een blik in de samenhang tussen het geestelijk-psychische en het lichamelijke deel van de mens. Ik merkte hoe opvoeding en onderwijs een kunst moeten worden, waarvan het fundament een werkelijke kennis omtrent de mens is. 

Ik moest op een zorgvuldige wijze economisch te werk gaan. Voor een half uur les moest ik mij dikwijls twee uur voorbereiden, opdat ik de stof zo kon brengen dat in de minste tijd en met de minste geestelijke en lichamelijke inspanning de grootst mogelijke prestatie van de jongen bereikt kon worden. De opeenvolging van de vakken moest zorgvuldig worden overwogen, de hele dagindeling moest doelmatig worden samengesteld. Ik smaakte de voldoening dat de jongen na verloop van twee jaar het lagere schoolonderwijs had ingehaald en voor het toelatingsexamen van het gymnasium slaagde. Zijn gezondheidstoestand was ook in sterke mate verbeterd. De bestaande hydrocefalie was belangrijk verminderd. 

Ik kon de ouders voorstellen om de jongen naar een gewone school te sturen. Het leek mij noodzakelijk dat hij zich temidden van andere jongens ontwikkelde. Vele jaren bleef ik als opvoeder met de familie verbonden en ik wijdde mij speciaal aan deze jongen, die de school uitsluitend kon doorlopen als zijn bezigheden thuis in dezelfde geest  geschiedden waarin ik ermee was begonnen. Zoals ik reeds eerder vermeldde, leidden de bijlessen Grieks en Latijn die ik deze jongen en nog een andere jongen in de familie moest geven, er toe om mijn eigen kennis daarvan verder te ontwikkelen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN  LEBENSGANG – Hoofdstuk VI (bladzijde 105-106)

Nederlandse vertaling door W.A.C. Labberté, overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 70-71) – 1981 Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

533x840

Eerder geplaatst op 7 september 2020

De mensen hebben tot nu toe met een zekere onbekommerdheid om de bovenzinnelijke wereld geleefd

We hebben gebeurtenissen achter ons, catastrofale gebeurtenissen, waarvan de mensheid zich steeds meer en meer bewust geworden is dat ze in deze intensiteit er niet eerder waren sinds men geschiedenis schrijft. Het afgelopen tijdperk was er een, waarin de mensen hier op aarde zich zo weinig mogelijk om de bovenzinnelijke wereld bekommerden. U moet, als u een dergelijke zaak serieus wilt nemen, alleen niet verwarren met wat men uiterlijke kerken- en lippendienst zou kunnen noemen, met een werkelijk georiënteerd zijn op de bovenzinnelijke wereld. 

Het is werkelijk niet bijzonder moeilijk in te zien dat wat de mensen al sinds eeuwen voor een bepaalde religiositeit aanzien, meer een uiterlijke zaak is, dat het niet een werkelijk georiënteerd zijn op de bovenzinnelijke wereld is. De mensen hebben tot nu toe met een zekere onbekommerdheid om de bovenzinnelijke wereld geleefd. En de ommekeer van de tijden eist tegenwoordig van de mensheid een zich weer oriënteren op de spirituele werelden. De mensen moeten leren de blik weer op deze bovenzinnelijke werelden te richten, maar op een andere manier als men zich dat vandaag de dag vaak voorstelt. 

De mensen willen graag bij het gangbare, gemakzuchtige geloof blijven dat niet veel innerlijke inspanning kost. Degenen die bij dit gemakkelijke geloof zijn gebleven, zijn de grootste vijanden van de ware huidige vooruitgang. De kerken die zich verzetten tegen de nieuwe wegen naar bovenzinnelijkheid, die zijn in waarheid de aanleiding dat steeds materialistischer en materialistischere impulsen in de mensheid komen. Het is vandaag de dag noodzakelijk om in zeer concrete wijze te leren zien in de bovenzinnelijke werelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 – Vergangenheits- und Zukunftsimpulse im sozialen Geschehen – Dornach, 23 maart 1919 (bladzijde 47-48)

Eerder geplaatst op 20 augustus 2015 (26 reacties)

Het is de inspanning die telt (2 – slot)

Zelfs in het geval dat alles fout zou zijn wat we zo opgenomen hebben, en we ons alleen ingespannen hebben, dan hebben we daardoor onze zielenogen ontwikkeld en hebben nu de mogelijkheid te zien, wat er in de geestelijke wereld aanwezig is. Nu liggen de dingen zo, dat wat de verschillende religieuze leraren hebben meegedeeld niet totaal fout is, maar er is vanuit verschillende standpunten de waarheid over de bovenzinnelijke wereld weergegeven en het is slechts schijnbaar elkaar tegensprekend. Men moet het ene door het andere aanvullen. 

Maar het wezenlijke dat alle religieuze stelsels gemeenschappelijk hebben, dat is dat al deze religies de menselijk ideeën brengen, door welke de ziel zich sterk maakt om in de geestelijke wereld te treden, dat de ziel wordt gewekt in haar geestelijke ondergronden. Wat dan de afzonderlijke religieuze leraren de zielen geven, dat geven ze in overeenstemming met de mogelijkheden van de zielen, naar gelang, ik zou willen zeggen, de voorwaarden van de individuele mensenrassen, naar de klimatologische omstandigheden en de overige verhoudingen van het land en de tijd, waarin ze moeten optreden. 

Maar allen hebben ze gemeen dat ze de zielen van de mensen sterk en krachtig maken, men kan ook zeggen, innerlijk lichtend maken, zodat de zielen niet alleen in de fysieke wereld werkelijk zijn, maar ook in de geestelijke wereld werkelijk kunnen zijn. Sterk maken van de zielen is het, wat als universele waarheid naar de gegeven mogelijkheden in alle religieuze systemen gegeven wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn, 26 januari 1915 (bladzijde 124-125)

Eerder geplaatst op 3 februari 2015