Cultuurtijdperken – (1 van 3)

We leven nu in het vijfde na-Atlantische cultuurtijdperk (1413-3573 n. Chr.). We tellen als eerste na-Atlantische cultuurtijdperk het Oud-Indische (7227-5067 v. Chr.), als tweede het Oud-Perzische (5067-2907 v. Chr.), als derde het Egyptisch-Babylonische (2907-747 v. Chr.), als vierde het Grieks-Latijnse (747 v. Chr.-1413 n. Chr.). Wij zelf zijn in het vijfde cultuurtijdperk. Op ons cultuurtijdperk volgen een zesde en een zevende. Dan komt weer een grote ramp over de aarde, vergelijkbaar met de catastrofe van Atlantis.

We kunnen nu vanuit het occulte onderzoek voor elk van deze cultuurperioden, voor het vijfde, zesde en zevende na-Atlantische tijdperk, de belangrijkste eigenschap van de menselijke ontwikkeling aangeven. In ons vijfde na-Atlantische cultuurtijdperk is het hoofdkenmerk van de menselijke evolutie de intellectuele, de verstandsontwikkeling. In het zesde, dat op het onze zal volgen, zal de hoofdeigenschap van de menselijke ontwikkeling zijn, dat de mensenzielen zeer specifieke gevoelens zullen hebben ten opzichte van wat moreel en wat immoreel is. Bijzonder verfijnd zullen gevoelens zijn van sympathie voor meelevende, welwillende handelingen, en van antipathie tegen kwaadwillige handelingen, in een mate van grootte, waarvan men tot nu toe geen voorstelling hebben kan.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Milaan, 21 september 1911 (bladzijde 42-43)

Eerder geplaatst op 2 juli 2014

Cultuurtijdperken – (1 van 3)

We leven nu in het vijfde na-atlantische cultuurtijdperk (1413-3573 n. Chr.). We tellen als eerste na-atlantische cultuurtijdperk het Oud-Indische (7227-5067 v. Chr.), als tweede het Oud-Perzische (5067-2907 v. Chr.), als derde het Egyptisch-Babylonische (2907-747 v. Chr.), als vierde het Grieks-Latijnse (747 v. Chr.-1413 n. Chr.). Wij zelf zijn in het vijfde cultuurtijdperk. Op ons cultuurtijdperk volgen een zesde en een zevende. Dan komt weer een grote ramp over de aarde, vergelijkbaar met de catastrofe van Atlantis.

We kunnen nu vanuit het occulte onderzoek voor elk van deze cultuurperioden, voor het vijfde, zesde en zevende na-atlantische tijdperk, de belangrijkste eigenschap van de menselijke ontwikkeling aangeven. In ons vijfde na-atlantische cultuurtijdperk is het hoofdkenmerk van de menselijke evolutie de intellectuele, de verstandsontwikkeling. In het zesde, dat op het onze zal volgen, zal de hoofdeigenschap van de menselijke ontwikkeling zijn, dat de mensenzielen zeer specifieke gevoelens zullen hebben ten opzichte van wat moreel en wat immoreel is. Bijzonder verfijnd zullen gevoelens zijn van sympathie voor meelevende, welwillende handelingen, en van antipathie tegen kwaadwillende handelingen, in een mate van grootte, waarvan men tot nu toe geen voorstelling hebben kan.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Milaan, 21 september 1911 (bladzijde 42-43)

Bewustzijnsschemering en angsttoestanden na de dood

Het behouden van het bewustzijn na de dood hangt af van zeer bepaalde dingen voor de dood. Zo bijvoorbeeld verduistert het bewustzijn zich gemakkelijker bij een mens met een immorele zielsgesteldheid. Het belangrijkste is dus door de dood te gaan met morele krachten, want het morele bewustzijn houdt onze ziel open voor het licht van de hiërarchieën. Het was mij in de laatste tijd mogelijk mensen na de dood te onderzoeken met morele zielenhouding als ook met immorele zielenhouding, en het bleek daarbij steeds weer dat de mensen met een morele zielsinstelling na de dood een bewustzijn verkrijgen dat helder en duidelijk is; de mensen met een immorele zielsinstelling vervallen in een soort donkere bewustzijnsschemering.

Men kan nu weliswaar vragen: Wat schaadt dat, als de mensen na de dood in een soort bewustzijnsslaap komen? Dan hebben ze niets te lijden en vermijden zelfs de gevolgen van hun immoraliteit. – Dat kan men echter niet tegenwerpen om de reden dat deze verduistering van het bewustzijn gepaard gaat met ontzaglijke angsttoestanden, die zich als gevolg van de immoraliteit voordoen. Na de dood is er geen grotere angsttoestand als deze verduistering van het bewustzijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt – Milaan 26 oktober 1912 (bladzijde 14)