Over opvoeding in de eerste zeven levensjaren

Hoe werkt men in de eerste zeven levensjaren het beste op een mens in? Doordat men de zintuigen vormt. Alles wat van buiten op de zintuigen inwerkt, is van belang. Alles wat de mens in de eerste zeven jaren ziet en hoort, werkt op hem door de zintuigen. Maar niet door leerstof of mondelinge belering werkt men op de zintuigen, maar door het voorbeeld. Men moet het kind iets bieden voor zijn zintuigen; dat is belangrijker dan al het andere in de eerste zeven jaar. Het kind ziet hoe de mensen in zijn omgeving zich gedragen, dat ziet het met zijn ogen. Aristoteles zegt terecht: De mens is de meest imiterende van de levende wezens. – Vooral de eerste zeven jaar is dat het geval. Nooit meer is de mens zo zeer toegankelijk voor nabootsing als in de eerste zeven jaar. […] Zeer belangrijk is het, dat de mens juist in deze tijd door edele, grootmoedige en hartelijke mensen met goede gedachten is omgeven. Deze vormen de in het innerlijk werkende wezensdelen. Het voorbeeld dus, ook in gevoelens en gedachten, is het belangrijkste opvoedingsmiddel. Niet wat men zegt, maar hoe men is, werkt in de eerste zeven jaren op het kind in. Wegens de ongemene subtiliteit van deze wezensdelen moet de omgeving van het kind zich van alle onreine, immorele gedachten en gevoelens onthouden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 27 augustus 1906 (bladzijde 55-56)

Eerder geplaatst op 2 maart 2013

Voorbeeld en navolging

In de eerste periode van het leven, dus van het eerste tot het zevende jaar is de mens voornamelijk een nabootsend wezen. Maar we moeten dit in de ruimste zin van het woord begrijpen. […] In verband met deze dingen komen soms mensen om raad vragen bij een of andere gelegenheid. Zo zei mij bijvoorbeeld eens een vader dat hij had te klagen over zijn vijfjarig kind. ‘Wat heeft dat vijfjarig kind dan gedaan?’ vroeg ik. ‘Het heeft gestolen’, zei de vader treurig. Ik zei hem: ‘Dan moet men echter eerst nagaan hoe de diefstal eigenlijk in zijn werk gegaan is.’ Toen vertelde hij mij, dat het kind stellig niet met boze opzet had gestolen. Hij had geld uit de lade van zijn moeder genomen en snoepgoed gekocht, maar dit snoepgoed dan op straat onder andere kinderen verdeeld. Dus blind egoïsme was het niet. Wat was het dan? Nu, het kind heeft dagelijks gezien hoe de moeder uit de la geld haalt. Met zijn vijf jaar is het kind een imitator (Duits: Nachahmer). Het heeft niet gestolen, het heeft eenvoudig de dingen die de moeder elke dag doet ook eenmaal nagedaan, want dat beschouwt het kind geheel instinctmatig als het juiste, wat de moeder altijd doet. – Dit is nu zo’n voorbeeld voor al de subtiele dingen, die men moet weten als men op een werkelijk met het mensenwezen overeenstemmende wijze zijn opvoedkunst wil opvatten.

Bron: GA 297a – Erziehung zum Leben – Utrecht 24 februari 1921 (bladzijde 19-20)