Na de dood/Imaginatie

Op het ogenblik waarop we sterven, wordt de gedachte wat zij in het gewone bewustzijn niet zou moeten worden: dan wordt de gedachte imaginatie. Deze imaginatie, die in de occulte ontwikkeling met alle moeite wordt nagestreefd, treedt in wanneer de mens door de dood gaat. Al zijn gedachten worden beelden. De mens leeft dan geheel in beelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 205 – Menschenwerden, Weltenseele und Weltengeist – Dornach, 3 juli 1921 (bladzijde 120)

Eerder geplaatst op 7 augustus 2017  (1 reactie)

161337967_1103627563384655_8623659106061746251_n

Mijn kennis van het geestelijke, daarvan ben ik mij volledig bewust, is resultaat van eigen schouwen

Mijn kennis van het geestelijke, daarvan ben ik mij volledig bewust, is resultaat van eigen schouwen. Ik had te allen tijde, bij alle details en bij de grote overzichten, mijzelf streng gecontroleerd, of ik elke stap in het schouwende voortgaan zo deed, dat volkomen bezonnen bewustzijn deze stappen begeleidde. Zoals de mathematicus van gedachte tot gedachte voortschrijdt, zonder dat onbewuste factoren, autosuggestie, enz. een rol spelen, zo – zei ik tot mijzelf – moet geestelijk schouwen van objectieve imaginatie tot objectieve imaginatie voortschrijden, zonder dat iets anders in de ziel leeft dan de geestelijke inhoud van een helder bezonnen bewustzijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – Die Geheimwissenschaft im Umriss (bladzijde 30)

Deze vertaling is van F. Wilmar

Eerder geplaatst op 15 november 2014

Imaginatie

Wil men de eigenlijke betekenis van het denken leren kennen, wil men de werkelijke waarheid van de kosmische betekenis van het denken leren kennen, dan moeten we stijgen naar de imaginatieve waarneming, zoals het in De weg tot inzicht in hogere werelden is beschreven. Zodra men het denken ontdoet van de abstractheid, die het voor ons bewustzijn heeft, en onderduikt in de zee van de wevende gedachtenwereld, komt men in de noodzaak niet alleen zulke abstracte gedachten te hebben zoals de mens op aarde, maar daarin beelden te hebben.

Want uit beelden is alles geschapen, beelden zijn de werkelijke oorzaak van de dingen, beelden liggen achter alles wat ons omringt, en in deze beelden duiken we onder, wanneer we in de zee van het denken duiken. Deze beelden heeft Plato bedoeld, deze beelden hebben allen bedoeld, die over de geestelijke oergronden gesproken hebben, deze beelden heeft Goethe bedoeld, als hij over zijn oerplant sprak. Deze beelden vindt men in het imaginatieve denken. Maar dit imaginatieve denken is een werkelijkheid, en daarin duiken we onder als we in het golvende, in de stroom van de tijd voortgaande denken duiken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn, 6 juli 1915 (bladzijde 298)

Eerder geplaatst op 22 november 2016 

Na de dood/Imaginatie

Op het ogenblik waarop we sterven, wordt de gedachte wat zij in het gewone bewustzijn niet zou moeten worden: dan wordt de gedachte imaginatie. Deze imaginatie, die in de occulte ontwikkeling met alle moeite wordt nagestreefd, treedt in wanneer de mens door de dood gaat. Al zijn gedachten worden beelden. De mens leeft dan geheel in beelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 205 – Menschenwerden, Weltenseele und Weltengeist – Dornach, 3 juli 1921 (bladzijde 120)

Altijd maar weer dat gepraat over “wetenschappelijke bewijzen”

Het heeft niets van doen met wetenschappelijkheid, als men het gepraat aanvoert, dat, voordat de imaginatie of de inspiratie uit de bovenzinnelijke wereld toegepast wordt, deze eerst “wetenschappelijk bewezen” moet worden. Wat een wetenschappelijk bewijs is, moet men echter eerst wel weten. En degenen die tegenwoordig van de geesteswetenschap vaak eisen, dat zij zou moeten “bewijzen”, die laten daarmee enkel zien, dat het wezen van bewijzen hen eigenlijk in werkelijkheid niet duidelijk is, want anders zouden ze moeten weten dat men alleen kan bewijzen, als men feiten terugvoert op andere, eenvoudige feiten. Zelfs in de wiskunde bewijst men zo, dat men gecompliceerde zaken op eenvoudige, onbewijsbare axioma terugvoert. Datgene waaruit het bewijs gehaald wordt, moet eerst waargenomen worden. Waargenomen kan het geestelijke echter alleen als we eerst het bovenzintuiglijke, het geestelijke in onszelf tot bewustzijn brengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 255b – Die Anthroposophie und ihre Gegner – Bazel, 2 december 1920 (bladzijde 178)

Zie ook: Feiten kan men niet bewijzen

Eerder geplaatst op 8 december 2013