Geesten van ziekte en dood

Als we met het zienersoog kunnen kijken naar de zielen in hun werkzaamheid tussen dood en nieuwe geboorte, dan zien we – dat is weer iets schokkends voor de ziener – vele zielen die een bepaalde tijd tussen dood en nieuwe geboorte veroordeeld zijn om slaven te worden van de geesten die ziekte en dood brengen in het fysieke leven. Dan zien we dus zielen tussen dood en geboorte, die in het slavenjuk gevangen (Duits: gespannt) zijn van wat wij ahrimanische geesten of geesten der hindernissen noemen, dus degenen die op aarde de dood teweegbrengen en die belemmeringen in het leven brengen.

Dat is een hard lot wat de ziener waarneemt bij sommige zielen als ze zich moeten buigen voor het juk van de slavernij. Als men zulke zielen dan terugvolgt tot in het leven dat ze geleid hebben voordat ze door de poort van de dood gegaan zijn, dan vindt men dat de zielen die een bepaalde tijd na de dood de geesten van de weerstand moeten dienen, zich dat door de in het leven ontwikkelde gemakzucht bereid hebben. De slaven van de geesten van ziekte en dood hebben zich dat bereid doordat ze gewetenloosheid voor de dood ontwikkeld hebben. Daar zien we dus een bepaalde relatie van mensenzielen tot de kwade geesten van ziekte en dood, de boze geesten van de weerstanden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt – Stuttgart, 20 februari 2013 (bladzijde 215-216)

Eerder geplaats op 9 januari 2018  (3 reacties)

Hindernissen voor de goede bedoelingen van de gestorvenen

De wetten van de spirituele wereld, die men met een helderziende blik waarneemt, zijn werkelijk absoluut geldig. Ze zijn zo onvoorwaardelijk geldig, zoals een geval ons leert dat vaak is waargenomen. Het was leerzaam om te zien hoe haatgedachten of in ieder geval gedachten van antipathie werken, zelfs als ze niet met volledig bewustzijn worden gedacht!

Men kan onderwijzers zien die gewoonlijk streng worden genoemd, die bij hun nog jonge leerlingen niet geliefd waren – al waren het dan nog maar onschuldige gedachten van antipathie en haat. Wanneer zo’n leraar sterft, dan ziet men hoe hij ook in deze gedachten, die immers blijven, obstakels heeft voor zijn goede bedoelingen in de geestelijke wereld.

Als de leraar sterft, geeft het kind, de jonge mens, zichzelf vaak geen rekenschap van het feit dat hij niet langer zou moeten haten, maar hij behoudt dat op een natuurlijke wijze door het blijvende gevoel hoe de leraar hem kwelde. Door zulke inzichten leert men veel over de onderlinge relatie tussen levenden en doden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 333 -334)

debff4148ec03cc469474cd799654593

De ingewijden van vroeger vinden in onze tijd geen geschikte omstandigheden

Iemand die een geestelijke scholingsweg volgt gaat er van uit dat hij niet meer zal verliezen wat hij eens gewonnen heeft, bvb. wanneer hij in een leven laat ons zeggen zijn gierigheid overwonnen heeft, dat hij dan in volgende levens vrijgevig zal zijn en aan andere karaktereenzijdigheden kan werken. Eens men het dan zover gebracht heeft dat men in een of ander leven ingewijd is geworden, dan zou men kunnen denken dat men in een volgend leven kan verder bouwen op dit resultaat en nog hogere graden van inwijding kan bereiken. In onze tijd schijnt dat niet het geval te zijn. Voor de gewone mens is het bijna onmogelijk om een vroegere ingewijde te herkennen, meer nog: vroegere ingewijden geven dikwijls in onze tijd de indruk van een beetje geschift te zijn! In de karma-voordracht (GA 235 – 23 maart) van 1924 waar Rudolf Steiner het o.m. over Garibaldi heeft, spreekt hij terug over het leren lezen en schrijven. – Francois de Wit.

“Nu kom ik terug op de vraag: waar zijn de ingewijden van vroeger ? Want het lijkt erop dat ze hier nu niet leven. Ja, beste vrienden, nu moet ik mij echt een beetje paradoxaal uitdrukken: indien er tegenwoordig een mogelijkheid bestond dat de mensen geboren werden op hun 17de of 18de jaar, dus dat ze direct 17 of 18 jaar oud zouden zijn wanneer ze uit de geestelijke wereld aankomen, of indien hun tenminste bespaard bleef om school te lopen op de manier zoals dat nu gebruikelijk is, dan zoudt u vaststellen dat in mensenlichamen van nu vroegere ingewijden kunnen incarneren. Maar evenmin als het voor een ingewijde mogelijk is -onder gewone aarde-omstandigheden- om zich te voeden met ijzer wanneer hij brood nodig heeft, evenmin is het mogelijk om de wijsheid uit een vergane tijd zonder meer over te planten zoals men dat verwacht in een lichaam dat tot zijn 17de, 18de jaar gevormd werd op de manier die de huidige beschaving met zich meebrengt. Dat is op de ganse wereld niet mogelijk, tenminste niet waar er beschaving is is het mogelijk. Daar zijn zaken mee gemoeid die buiten de horizon van een modern ontwikkeld mens liggen. Wanneer men zich, zoals dat nu gebruikelijk is, de tegenwoordige lees- en schrijfvaardigheden moet eigen maken vanaf zijn zesde, zevende levensjaar, dan is dat zo’n folter voor de ziel die zich wil ontwikkelen volgens haar bijzondere eigen aard, dat … ja, ik kan maar herhalen wat ik reeds in mijn levensbeschrijving gezegd heb: vele hindernissen (om helderziend te worden – fdw) heb ik kunnen opruimen dankzij het feit ik op mijn twaalfde nog niet zonder fouten kon schrijven, ik kon zelfs helemaal niet ordentelijk schrijven. Ik heb dat vermeld in mijn levensbeschrijving omdat het kunnen schrijven, zoals dat tegenwoordig verlangd wordt, bepaalde vermogens kapot maakt in de mens.

Zo paradoxaal is het nu eenmaal. Het is een waarheid. Er is niets aan te doen, het is een waarheid. En zo komt het dat juist hoog ontwikkelde individualiteiten uit het verleden wanneer ze reïncarneren eigenlijk alleen maar te herkennen zijn door iemand die let op kenmerken van de menselijke natuur die zich als gevolg van het tegenwoordige schoollopen meer achter dan ín de mens openbaren.”

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 23 maart 1924 (bladzijde 203-204)

Vertaling overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 24

Eerder geplaatst op 18 juli 2016  (6 reacties)

Invloed van de doden

We moeten tegenover degenen die door de poort van de dood zijn gegaan net zo staan als tegenover degenen die nog hier in leven zijn. Ja, we moeten niet aarzelen om tegen onszelf te zeggen: Degenen die in het fysieke lichaam leven, zijn door de meest uiteenlopende omstandigheden verhinderd het spirituele leven volledig te beleven. Wat allemaal kunnen we opmerken aan hindernissen bij de mensen in dit fysieke aardeleven als het gaat om het herkennen van de grote taken voor de ontwikkeling – en die dan ook te vervullen! Maar op de doden kunnen we vaak beter vertrouwen. […]

We zien in hen onze belangrijkste medewerkers, en het zal niet verkeerd begrepen zijn als ik zeg dat we bij ons spirituele werk veel meer kunnen vertrouwen op de doden dan op de levenden. […]

Juist voor de vergeestelijking van de menselijke cultuur van de toekomst zijn degenen die door de poort van de dood zijn gegaan in onze noodlottige tijd de belangrijkste medewerkers. Want deze dood, waarop degenen terugkijken die door de poort van de dood zijn gegaan, zal een grote leermeester zijn. En menigeen heeft tegenwoordig een sterkere leraar nodig dan het leven kan geven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das Geheimnis des Todes / Wesen und Bedeutung Mitteleuropas und die europäischen Volksgeister – Wenen, 9 mei 1915 (bladzijde 199)

Goden der hindernissen

Stelt u eens voor, u moet een kar duwen. Doordat u die vooruit duwt, ontwikkelt u op een bepaalde manier uw krachten. Als men de kar nu belaadt met een zware last, dan moet u harder duwen, maar daardoor ontwikkelen uw krachten zich sterker. Denkt u zich eens in, de godheid zou de wereldevolutie hebben gelaten, zoals ze was: Zeker, de mensen hadden zich goed kunnen ontwikkelen; maar nog sterker kon de mensheid worden, als men haar ontwikkelingshindernissen in de weg legde. Voor het heil van de mensheid moest men bepaalde machten tewerkstellen (Duits: abkommandieren). Deze machten waren vooralsnog niet slecht, ze moeten niet worden beschouwd als kwade machten, men kan zelfs zeggen dat ze zich geofferd hebben, doordat ze zich de ontwikkeling remmend in de weg stelden. Deze machten kan men daarom de goden der hindernissen noemen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 110 – Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt – Düsseldorf, 18 april 1909 (bladzijde 162-163)

Eerder geplaatst op 25 mei 2016