Over waarheden en dogma’s

Het is goed om, wat ik al vaker genoemd heb, dat in het bijzonder vanuit ons antroposofische standpunt bewust en grondig erkend wordt: Ook het weten dat men in het heden, hoe onmiskenbaar het ook is, over spirituele zaken kan verwerven, het mag niet opgevat worden als een som van absolute dogma’s. Het moet duidelijk zijn dat degenen die later in komende tijden zullen verschijnen meer waarheden zullen zien dan wij zelf zien kunnen en in staat zijn naar voren te brengen.

Daarop berust eigenlijk de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. En alle belemmering, alle hindernis voor de geestelijke vooruitgang van de mensheid berust uiteindelijk op het feit dat de mensen het niet toegeven willen dat ze graag waarheden overgeleverd willen hebben, die niet de waarheden van een bepaald tijdperk zijn, maar die absolute, tijdloze dogma’s zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 184 – Die Polarität von Dauer und Entwickelung im Menschenleben – Dornach, 6 september 1918 (bladzijde 13)

Eerder geplaatst op 18 maart 2018

brown-smile

Zorgen

Zorgen mag de mens zich tot op zekere hoogte wel maken, maar bij het er bovenuitgaan treedt een verwelken, verdorren van de fysieke hersens op (Duits: aber über diesen hinaus tritt ein ein Verwelken, Verdorren des physischen Gehirns). De zorgen-gedachten graven sporen in het brein, die veroorzaken dat zulke gedachten steeds opnieuw gedacht moeten worden. Zo wordt het fysieke lichaam van de mens een hindernis voor zijn voortschrijdende ontwikkeling. De gelaatstrekken weerspiegelen deze sporen weer. Er bestaat een bepaalde astrale substantie, waarin de zorgen leven, en er zijn individualiteiten van hoge ontwikkeling, die deze zorgensubstantie op zich nemen. Dat zijn de Verlossers. De grootste Heiland, de grootste Man der Zorgen was Christus.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Band I: 1904 – 1909 – Berlijn, 11 november 1908 (bladzijde 432-433)

Matteus-11-28-Kom-tot-Mij-allen-die-vermoeid-en-belast-zijn-en-Ik-zal-rust-geven

Eerder geplaatst op 1 juni 2017  (4 reacties)

Haat en schaamte (2 van 2)

Maar we kunnen ook nagaan wat zo’n haat betekent voor de doden. Zo’n haat betekent namelijk voor de doden een hindernis voor de goede intenties in zijn geestelijke ontwikkeling, een hindernis die ongeveer vergeleken kan worden met hindernissen die we kunnen ondervinden voor het bereiken van een uiterlijk doel op aarde. Dit is een feit in de geestelijke wereld, dat de doden de haat ondervinden als een obstakel voor hun goede en beste voornemens. En nu begrijpen we waarom in de ziel, die een beetje over zichzelf nadenkt, zelfs de in het leven gerechtvaardigde haat sterft: omdat de ziel schaamte voelt als de gehate persoon is gestorven. 

Als een mens geen helderziende is, dan weet hij niet waar dit van komt, maar het is alsof er een natuurlijk gevoel in de ziel is geplant, dat hij voelt dat hij wordt waargenomen; hij voelt: de dode ziet mijn haat, ja, deze haat vormt voor hem zelfs een belemmering in zijn goede intenties.

Er zijn veel diepe gevoelens in de menselijke ziel, die verklaarbaar worden wanneer men opstijgt in de geestelijke werelden en kijkt naar de geestelijke feiten waarop deze gevoelens zijn gebaseerd. Net zoals men niet fysiek van buitenaf gezien wil worden bij sommige dingen op aarde, of zoals men deze dingen niet doet als men weet dat men zelf gezien wordt, zo haat men niet over de dood heen als men het gevoel heeft: men wordt gadegeslagen door de doden. Maar de liefde of ook alleen maar de sympathie die we de dode tonen, is werkelijk een verlichting voor de dode op zijn pad, het neemt obstakels voor hem weg.

implications-of-chronic-shame

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 328-329)

Wetenschappelijke denkgewoonten: hindernis voor antroposofische wereldbeschouwing  

Wie eenmaal met zijn denkgewoonten is ingegroeid in het tegenwoordige wetenschapsleven, kan eigenlijk onmogelijk zo zonder meer op de antroposofische opvattingen overgaan. Daar moet men zeker op bedacht zijn, dat van deze zijde een of andere instemming met de antroposofische kennis nauwelijks spoedig iets kan komen.

De mensen die niet met hun denkgewoonten in de wetenschappelijke bedrijvigheid van tegenwoordig zijn gegroeid of die als jonge mensen bij het erin groeien ook meteen er uitgroeien, die zullen het zijn, die hoofdzakelijk de gegrondheid van de antroposofische wereldbeschouwing zullen inzien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 225 – Drei Perspektiven der Anthroposophie – Dornach, 20 juli 1923 (bladzijde 133-134)

Eerder geplaatst op 9 juli 2015  (6 reacties)

Zend goede gedachten en gevoelens naar overledenen  

Het is bij de overgang van een ons dierbaar mens in de andere werelden bijzonder belangrijk dat we onze gedachten en gevoelens naar hem sturen, zonder dat we de gedachte laten opkomen als wilden wij hem terughebben. Dit laatste bemoeilijkt de heengegane het bestaan in de sfeer, waarin hij moet intreden. Niet het leed, dat we hebben, maar de liefde, die we hem geven, moeten we naar zijn werelden zenden. […]

Naar mijn inzichten zijn zulke gevoelens als een soort vleugelgewaad, dat de gestorvene omhoog draagt; terwijl de gevoelens van veel rouwenden zoals: ‘Ach, was je nog maar bij ons’, hem tot een hindernis worden. Dit is dus een algemene aanwijzing hoe we ons in zulke gevallen met onze gevoelens moeten richten.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 264 – Uit een brief aan Paula Stryczek – Berlijn, 31 december 1905 (bladzijde 101)

Eerder geplaatst op 12 januari 2015