Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner

Voor zijn lessen (van de leraar Duitse taal en literatuur in de drie hoogste klassen van de middelbare school)  moest ik veel doen. Zijn vak omvatte in de vijfde klas de Griekse en Latijnse gedichten, waarvan fragmenten in het Duits behandeld werden. Nu pas begon ik soms erg spijt te krijgen dat mijn vader me niet op het gymnasium had gedaan in plaats van op de Realschule. Want ik voelde hoe weinig mij in de vertalingen het specifieke van de Griekse en Latijnse kunst aansprak. Ik kocht daarom Griekse en Latijnse leerboeken en gaf mijzelf stilletjes een gymnasiale opleiding. Dat nam veel tijd in beslag, maar het werd ook de reden dat ik later, weliswaar op een ongewone manier, toch nog helemaal het gymnasium doorliep. Toen ik namelijk op de hogeschool in Wenen was, moest ik pas echt heel veel bijlessen geven. Weldra kreeg ik een gymnasiast als leerling. De omstandigheden, waarover ik nog zal spreken, brachten met zich mee dat ik deze leerling bijna het hele gymnasium door met privélessen moest bijstaan. Ik gaf hem ook les in Grieks en Latijn, zodat ik daardoor ook alle details van het gymnasiumonderwijs leerde kennen.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 32-33 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang

Eerder geplaatst op 15 maart 2012

Steiner als opvoeder en huisonderwijzer (2 van 3)

Door deze pedagogische taak werd er voor mij een rijke bron van kennis aangeboord. Door wat ik in de praktijk te brengen had, opende zich voor mij een blik in de samenhang tussen het geestelijk-psychische en het lichamelijke deel van de mens. Ik merkte hoe opvoeding en onderwijs een kunst moeten worden, waarvan het fundament een werkelijke kennis omtrent de mens is. Ik moest op een zorgvuldige wijze economisch te werk gaan. Voor een half uur les moest ik dikwijls twee uur voorbereiden, opdat ik de stof zo kon brengen dat in de minste tijd en met de minste geestelijke en lichamelijke inspanning de grootst mogelijke prestatie van de jongen bereikt kon worden. De opeenvolging van de vakken moest zorgvuldig worden overwogen, de hele dagindeling moest doelmatig worden samengesteld. Ik smaakte de voldoening dat de jongen na verloop van twee jaar het lagere-school onderwijs had ingehaald en voor het toelatingsexamen van het gymnasium slaagde. Zijn gezondheidstoestand was ook in sterke mate verbeterd. De bestaande hydrocefalie (waterhoofd r.v.d.) was belangrijk verminderd.

Ik kon de ouders voorstellen om de jongen naar een gewone school te sturen. Het leek mij noodzakelijk dat hij zich temidden van andere jongens ontwikkelde. Vele jaren bleef ik als opvoeder met de familie verbonden en ik wijdde mij speciaal aan deze jongen, die de school uitsluitend kon doorlopen als zijn bezigheden thuis in dezelfde geest geschiedden waarin ik ermee was begonnen. Zoals ik reeds eerder vermeldde, leidden de bijlessen Grieks en Latijn, die ik deze jongen en nog een andere jongen in de familie moest geven, er toe om mijn eigen kennis daarvan verder te ontwikkelen. (Let wel: Steiner had zelf op de Realschule helemaal geen Latijn en Grieks gehad, hij had dit dus op eigen houtje geleerd. r.v.d.)

Ik moet het lot dankbaar zijn voor dit stuk van mijn leven. Want hierdoor verwierf ik mij op een levensechte wijze kennis omtrent het mensenwezen, zoals het volgens mij langs een andere weg niet mogelijk zou zijn geweest. Ook had de familie mij bijzonder liefdevol in haar midden opgenomen en we vormden samen een fijne leefgemeenschap. De vader had een agentschap in Indische en Amerikaanse katoen en gunde mij een blik in het zakenleven, wat voor mij ook zeer leerzaam was. Ik maakte kennis met een buitengewoon interessant importbedrijf met zijn verschillende commerciële en industriële aspecten en met de omgang tussen de zakenvrienden.

Wordt morgen vervolgd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN LEBENSGANG (bladzijde 105-107)

Overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 70-71) – Vertaling W.A.C. Labberté

Eerder geplaatst op 5 maart 2011

Wiskunde/Helderziendheid

Er zijn, zoals u weet, mensen die heel gemakkelijk wiskundig kunnen denken en ook mensen die helemaal niet wiskundig kunnen denken, er zijn er die goed kunnen rekenen en ook zijn er die helemaal niet kunnen rekenen. Er zijn zulke verschillende vaardigheden. Maar vooral als men zich juist oefent in wiskundig denken, dan komt men gemakkelijker tot werkelijke helderziendheid, dan wanneer men geheel geen begrip heeft voor wiskundig denken. En daarin ligt al een reden, waarom de mensen vandaag de dag zo moeilijk komen tot het waarnemen van de bovenzinnelijke wereld. Want degenen die tegenwoordig een opleiding doorlopen, zijn immers nog vooral degenen die Grieks en Latijn, literatuur en al het mogelijke leren, allerlei waarbij men slordig, onzorgvuldig (Duits: schlampig) denken kan. Ja, de meeste zogenaamde ontwikkelde en geleerde mensen hebben eigenlijk alleen slordig denken geleerd, omdat ze denken zoals de oude Romeinen of Grieken gedacht hebben, en de anderen leren dat dan van hen. En zo is er tegenwoordig gewoon een vreselijk slordig denken, helemaal geen denken, dat werkelijk kracht in zich heeft. Daarvan komt het, dat men tegenwoordig helemaal niet goed zulke dingen kan begrijpen, die uit de geestelijke wereld voor de dag zijn gehaald. Zouden de mensen een echt scherp denken hebben, dan zouden ze veel eerder tot begrip komen van wat er in de spirituele wereld voorvalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen/ Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach, 13 juni 1923 (bladzijde 95)

Eerder geplaatst op 3 oktober 2013

Wiskunde/Helderziendheid

Er zijn, zoals u weet, mensen die heel gemakkelijk wiskundig kunnen denken en ook mensen die helemaal niet wiskundig kunnen denken, er zijn er die goed kunnen rekenen en ook zijn er die helemaal niet kunnen rekenen. Er zijn zulke verschillende vaardigheden. Maar vooral als men zich juist oefent in wiskundig denken, dan komt men gemakkelijker tot werkelijke helderziendheid, dan wanneer men geheel geen begrip heeft voor wiskundig denken. En daarin ligt al een reden, waarom de mensen vandaag de dag zo moeilijk komen tot het waarnemen van de bovenzinnelijke wereld. Want degenen die tegenwoordig een opleiding doorlopen, zijn immers nog vooral degenen die Grieks en Latijn, literatuur en al het mogelijke leren, allerlei waarbij men slordig, onzorgvuldig (Duits: schlampig) denken kan. Ja, de meeste zogenaamde ontwikkelde en geleerde mensen hebben eigenlijk alleen slordig denken geleerd, omdat ze denken zoals de oude Romeinen of Grieken gedacht hebben, en de anderen leren dat dan van hen. En zo is er tegenwoordig gewoon een vreselijk slordig denken, helemaal geen denken, dat werkelijk kracht in zich heeft. Daarvan komt het, dat men tegenwoordig helemaal niet goed zulke dingen kan begrijpen, die uit de geestelijke wereld voor de dag zijn gehaald. Zouden de mensen een echt scherp denken hebben, dan zouden ze veel eerder tot begrip komen van wat er in de spirituele wereld voorvalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Rhythmen im Kosmos und im Menschenwesen/ Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach 13 juni 1923 (bladzijde 95)

Korte fragmenten uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (3) – Naast de Realschule doet Steiner op eigen houtje het gymnasium er even bij

Voor zijn lessen (van de leraar Duitse taal en literatuur in de drie hoogste klassen van de middelbare school r.v.d)  moest ik veel doen. Zijn vak omvatte in de vijfde klas de Griekse en Latijnse gedichten, waarvan fragmenten in het Duits behandeld werden. Nu pas begon ik soms erg spijt te krijgen dat mijn vader me niet op het gymnasium had gedaan in plaats van op de Realschule. Want ik voelde hoe weinig mij in de vertalingen het specifieke van de Griekse en Latijnse kunst aansprak. Ik kocht daarom Griekse en Latijnse leerboeken en gaf mijzelf stilletjes een gymnasiale opleiding. Dat nam veel tijd in beslag, maar het werd ook de reden dat ik later, weliswaar op een ongewone manier, toch nog helemaal het gymnasium doorliep. Toen ik namelijk op de hogeschool in Wenen was, moest ik pas echt heel veel bijlessen geven. Weldra kreeg ik een gymnasiast als leerling. De omstandigheden, waarover ik nog zal spreken, brachten met zich mee dat ik deze leerling bijna het hele gymnasium door met privélessen moest bijstaan. Ik gaf hem ook les in Grieks en Latijn, zodat ik daardoor ook alle details van het gymnasiumonderwijs leerde kennen.

 Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 32-33 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven)

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang