Goede en slechte inwerkingen

Als een mens door de dood gaat, lost zijn etherische lichaam op in het heelal. Maar van dat oplossende etherische lichaam blijft altijd een deel bewaard, en zo zijn we voortdurend omgeven door resten van de etherlichamen van gestorvenen, tot ons voordeel of ook tot onze schade. Ze werken in goede of slechte zin op ons in, al naar gelang wijzelf goed of slecht zijn. Van de etherische lichamen van grote individualiteiten gaan in deze zin veelomvattende invloeden uit. Zo gaat van het etherische lichaam van Christian Rosenkreutz een grote kracht uit, die op onze ziel of onze geest kan inwerken. Het is onze taak om die kracht te leren kennen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das  esoterische  Christentum und  die geistige  Führung  der  Menschheit – Neuchâtel, 27 september 1911 (bladzijde 57)

Overgenomen uit Rudolf Steiner – Het esoterische christendom (vertaald door Hylcke Brandts Buys) – bladzijde 119-120

rudolfsteiner_web

TEKENING DOOR MIA ARAUJO

Eerder geplaatst op 16 oktober 2020   (3 reacties)

Geestgestalte na de dood

Zoals we gezien hebben, is de mens, wanneer hij door de poort van de dood is gegaan en dus is aangekomen in de bovenzinnelijke wereld, in het begin voor het imaginatieve schouwen nog steeds waarneembaar als in een geestgestalte. Natuurlijk moet men zich realiseren, dat dit geestelijk schouwen toch iets anders is dan het aanschouwen van het zintuiglijke waarneembare. Ieder, die iets geestelijks heeft geschouwd, zal bijvoorbeeld zeggen: Ja, ik heb dat geschouwd, maar ik zou niet kunnen zeggen, hoe ‘groot’ de verschijning was, en dergelijke. Dus net zo ruimtelijk als een beeld, dat men met de ogen  waarneemt, zijn de dingen natuurlijk niet.

Maar toch, wanneer men ze wil weergeven, moet men dat zo doen, dat de zaak precies lijkt op een zintuiglijke waarneming met de ogen, of op hetgeen men nog meer voor de beschrijving ervan gebruikt. De beschrijvingen, die ik over deze dingen zal geven, moeten dan ook in die betekenis worden opgevat.

Wanneer nu de mens door de poort van de dood is gegaan, begint geleidelijk het hoofd van de geestgestalte te verbleken, de vorm van het hoofd vervaagt. Daar staat tegenover, dat de gehele overige gestalte van de mens fysionomie wordt en wel zodanig, dat, zoals ik reeds heb beschreven, deze fysionomie tot uitdrukking brengt in hoeverre de mens in zijn voorafgaande aardeleven in meerdere of mindere mate een goed of slecht mens is geweest, of een wijs mens, of een dwaas, enzovoort. Alles wat de mens in de zintuiglijke wereld kan verbergen, waar men met het onschuldigste gezicht een schurk kan zijn, is onmogelijk te verbergen, wanneer men door de poort van de dood is gegaan. Men kan geen onschuldig gezicht zetten, want het gezicht vervaagt; en met de verdere gestalte, die steeds meer fysionomie wordt, laat het zich niet verloochenen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch erfaßt – Den Haag, 17 november 1923 (bladzijde 96-97)

Vertaling door M. Macintosh, overgenomen uit Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – 1979 Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist (bladzijde 94-95)

Eerder geplaatst op 17 januari 2017

Geestgestalte na de dood

Zoals wij gezien hebben, is de mens, wanneer hij door de poort van de dood is gegaan en dus is aangekomen in de bovenzinnelijke wereld, in het begin voor het imaginatieve schouwen nog steeds waarneembaar als in een geestgestalte. Natuurlijk moet men zich realiseren, dat dit geestelijk schouwen toch iets anders is dan het aanschouwen van het zintuiglijke waarneembare. Ieder, die iets geestelijks heeft geschouwd, zal bijvoorbeeld zeggen: Ja, ik heb dat geschouwd, maar ik zou niet kunnen zeggen, hoe ‘groot’ de verschijning was, en dergelijke. Dus net zo ruimtelijk als een beeld, dat men met de ogen  waarneemt, zijn de dingen natuurlijk niet.

Maar toch, wanneer men ze wil weergeven, moet men dat zo doen, dat de zaak precies lijkt op een zintuiglijke waarneming met de ogen, of op hetgeen men nog meer voor de beschrijving ervan gebruikt. De beschrijvingen, die ik over deze dingen zal geven, moeten dan ook in die betekenis worden opgevat.

Wanneer nu de mens door de poort van de dood is gegaan, begint geleidelijk het hoofd van de geestgestalte te verbleken, de vorm van het hoofd vervaagt. Daar staat tegenover, dat de gehele overige gestalte van de mens fysionomie wordt en wel zodanig, dat, zoals ik reeds heb beschreven, deze fysionomie tot uitdrukking brengt in hoeverre de mens in zijn voorafgaande aardeleven in meerdere of mindere mate een goed of slecht mens is geweest, of een wijs mens, of een dwaas, enzovoort. Alles wat de mens in de zintuiglijke wereld kan verbergen, waar men met het onschuldigste gezicht een schurk kan zijn, is onmogelijk te verbergen, wanneer men door de poort van de dood is gegaan. Men kan geen onschuldig gezicht zetten, want het gezicht vervaagt; en met de verdere gestalte, die steeds meer fysionomie wordt, laat het zich niet verloochenen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch erfaßt – Den Haag, 17 november 1923 (bladzijde 96-97)

Vertaling door M. Macintosh, overgenomen uit Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – 1979 Uitgeverij Vrij Geestesleven Zeist (bladzijde 94-95)