Het lot schonk mij een bijzondere taak op het gebied van de pedagogie (2 van 3)

Door deze pedagogische taak werd er voor mij een rijke bron van kennis aangeboord. Door wat ik in de praktijk te brengen had, opende zich voor mij een blik in de samenhang tussen het geestelijk-psychische en het lichamelijke deel van de mens. Ik merkte hoe opvoeding en onderwijs een kunst moeten worden, waarvan het fundament een werkelijke kennis omtrent de mens is. 

Ik moest op een zorgvuldige wijze economisch te werk gaan. Voor een half uur les moest ik mij dikwijls twee uur voorbereiden, opdat ik de stof zo kon brengen dat in de minste tijd en met de minste geestelijke en lichamelijke inspanning de grootst mogelijke prestatie van de jongen bereikt kon worden. De opeenvolging van de vakken moest zorgvuldig worden overwogen, de hele dagindeling moest doelmatig worden samengesteld. Ik smaakte de voldoening dat de jongen na verloop van twee jaar het lagere schoolonderwijs had ingehaald en voor het toelatingsexamen van het gymnasium slaagde. Zijn gezondheidstoestand was ook in sterke mate verbeterd. De bestaande hydrocefalie was belangrijk verminderd. 

Ik kon de ouders voorstellen om de jongen naar een gewone school te sturen. Het leek mij noodzakelijk dat hij zich temidden van andere jongens ontwikkelde. Vele jaren bleef ik als opvoeder met de familie verbonden en ik wijdde mij speciaal aan deze jongen, die de school uitsluitend kon doorlopen als zijn bezigheden thuis in dezelfde geest  geschiedden waarin ik ermee was begonnen. Zoals ik reeds eerder vermeldde, leidden de bijlessen Grieks en Latijn die ik deze jongen en nog een andere jongen in de familie moest geven, er toe om mijn eigen kennis daarvan verder te ontwikkelen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN  LEBENSGANG – Hoofdstuk VI (bladzijde 105-106)

Nederlandse vertaling door W.A.C. Labberté, overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 70-71) – 1981 Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

533x840

Eerder geplaatst op 7 september 2020

Het lot schonk mij een bijzondere taak op het gebied van de pedagogie (1 van 3)  

Het lot schonk mij een bijzondere taak op het gebied van de pedagogie. Ik werd als opvoedkundige aanbevolen bij een gezin (de familie Specht in Wenen) met vier jongens. Aan drie daarvan moest ik eerst bijlessen geven voor de lagere school en later voor de middelbare school. De vierde (Otto Specht), die ongeveer 10 jaar was, kreeg ik helemaal onder mijn hoede. Hij was het zorgenkind van de ouders, vooral van de moeder. Toen ik met de familie in contact kwam, was hij nauwelijks de beginselen van het lezen, schrijven en rekenen machtig, Zijn lichamelijke en psychische ontwikkeling werd als dermate abnormaal beschouwd, dat men er in de familie aan twijfelde of hij ooit echt iets zou kunnen leren. Langzaam en moeizaam vormde hij zijn gedachten. Door de minste geestelijke inspanning kreeg hij hoofdpijn en toestanden van zwakte, werd hij bleek en werd zijn psychisch gedrag zorgwekkend.

Nadat ik het kind had leren kennen, was ik van mening dat een opvoeding, aangepast aan dit fysieke en psychische organisme, de sluimerende mogelijkheden tot ontwikkeling zou moeten brengen en ik stelde de ouders voor de opvoeding aan mij over te laten. De moeder had vertrouwen in dit voorstel en daardoor kon ik deze bijzondere pedagogische taak op mij nemen.

Ik moest de toegang vinden tot een ziel die zich als het ware in een slaaptoestand bevond en die er langzaam toe gebracht moest worden om de baas te worden over de lichamelijke verrichtingen. De ziel moest als het ware eerst aansluiting bij het lichaam krijgen. Ik was ervan overtuigd dat de jongen zelfs grote geestelijke capaciteiten bezat, hoewel die nog verborgen waren. Dit maakte dat mijn taak mij een gevoel van diepe bevrediging gaf. Weldra toonde het kind mij op een liefdevolle wijze zijn aanhankelijkheid. Daardoor werden alleen al door het contact dat ik met hem had de sluimerende zielekwaliteiten gewekt. Voor het lesgeven moest ik speciale methodes bedenken. Als de tijd die voor een bepaalde les gepland was met een kwartier werd overschreden, dan had dit direct een nadelige invloed op de gezondheid. Tot bepaalde vakken kreeg het kind zeer moeilijk toegang.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN  LEBENSGANG – Hoofdstuk VI (bladzijde 104-105)

Nederlandse vertaling door W.A.C. Labberté, overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 70) – 1981 Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Otto_Specht

Otto Specht

Eerder geplaatst op 6 september 2020  (4 reacties)

De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Alles wat je doet in de omgeving van het kind, verandert in het kinderlijke organisme in lichaam, ziel en geest. De gezondheid voor heel zijn leven hangt ervan af hoe jij je in de omgeving van een kind gedraagt. De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Al die dingen die gewoonlijk voor de kleuterklassen aanbevolen worden, je moet dit of dat met de kinderen doen, deugen van geen kant. Meestal ziet het er wel pienter uit, wat men zo te berde brengt als kleuteronderwijs. Je moet je, als ik het zo zeggen mag, wel opgetogen uitspreken over de slimheid van wat er in de loop van de negentiende eeuw voor de kleuterschool uitgedacht is. De kinderen leren er al zo veel, ze leren al bijna lezen. Ze krijgen letters die ze in uitgesneden lettervormen moeten leggen en dergelijke dingen.

Het ziet er allemaal zeer pienter uit en je kunt makkelijk geneigd zijn te geloven, dat dat iets goeds is voor kinderen. Maar het is niets waard. In werkelijkheid deugt het helemaal niet. De hele kinderziel wordt er door beschadigd. Tot in het lichamelijke toe, tot in zijn gezondheid raakt het kind beschadigd. Zulke kleuterwerkjes veroorzaken in het latere leven van het kind zwakte in lichaam en ziel.

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Die  Kunst  des  Erziehens aus  dem  Erfassen der  Menschenwesenheit – Torquay, 13 augustus 1924 (bladzijde 26)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor meer van zijn vertaling van GA 311 zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

51GmFafEfsL._SX355_BO1,204,203,200_

Eerder geplaatst op 27 augustus 2020

Over leren lezen en schrijven (3- Slot)

De pedagogische impulsen moeten aan het leven worden afgemeten. En dat is de essentie van onze pedagogiek, dat we het hele leven van het kind in gedachten hebben en dat we weten: als we het kind in het zevende, achtste jaar iets leren, dan moet het op een zodanige manier worden bijgebracht dat het met het kind meegroeit, dat het kind het in het dertigste, veertigste jaar nog heeft, dat men het hele leven er wat aan heeft.

Ziet u, het is zo dat juist de kinderen die perfect kunnen lezen en schrijven op achtjarige leeftijd met betrekking tot bepaalde innerlijke psychische gezondheidsimpulsen verkommeren. Ja, werkelijk verkommeren. Het is een groot geluk als men op de leeftijd van acht jaar nog niet zo kan lezen en schrijven als het tegenwoordig verlangd wordt. Het is een groot geluk voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 298 – Rudolf Steiner in der Waldorfschule / Vorträge und Ansprachen für die Kinder, Eltern und Lehrer in der Waldorfschule Stuttgart 1919-1924 – Stuttgart, 9 mei 1922 (bladzijde 130)

rudolf-steiner-portrait

Eerder geplaatst op 24 september 2019

Spirituele gedachten zijn gezondmakend

Over deze dingen  denkt men altijd verkeerd. Iemand die de invloed van spirituele gedachten begrijpt, kan u zeggen: ‘Bepaalde gedachten maken u gezond’. De betrokken persoon wordt echter toch op een bepaald moment door deze of gene ziekte getroffen. – Ja, dat we vandaag de dag niet kunnen herstellen van alle ziektes door louter gedachteninvloed, dat is een oud erfdeel. Maar kun je zeggen welke ziekte je zou hebben gehad als je die gedachten niet had gehad? 

Zou je kunnen zeggen dat je leven in dezelfde gezondheid zou zijn verlopen  als je die gedachten niet had gehad? In het geval van bijvoorbeeld een mens die zich beziggehouden heeft met de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap en 45 jaar oud geworden is, zou u het bewijs leveren kunnen dat hij zonder deze gedachten niet op de leeftijd van 42 of 40 jaar overleden zou zijn? De mens denkt altijd van de verkeerde kant als hij zich op deze gedachten richt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 187 – Wie kann die Menschheit den Christus wiederfinden? / Das dreifache Schattendasein unserer Zeit und das neue Christus-Licht – Bazel, 22 december 1918 (bladzijde 23)

Eerder geplaatst op 27 juli 2018

mqdefault-1