Hindernissen voor de goede bedoelingen van de gestorvenen

De wetten van de spirituele wereld, die men met een helderziende blik waarneemt, zijn werkelijk absoluut geldig. Ze zijn zo onvoorwaardelijk geldig, zoals een geval ons leert dat vaak is waargenomen. Het was leerzaam om te zien hoe haatgedachten of in ieder geval gedachten van antipathie werken, zelfs als ze niet met volledig bewustzijn worden gedacht!

Men kan onderwijzers zien die gewoonlijk streng worden genoemd, die bij hun nog jonge leerlingen niet geliefd waren – al waren het dan nog maar onschuldige gedachten van antipathie en haat. Wanneer zo’n leraar sterft, dan ziet men hoe hij ook in deze gedachten, die immers blijven, obstakels heeft voor zijn goede bedoelingen in de geestelijke wereld.

Als de leraar sterft, geeft het kind, de jonge mens, zichzelf vaak geen rekenschap van het feit dat hij niet langer zou moeten haten, maar hij behoudt dat op een natuurlijke wijze door het blijvende gevoel hoe de leraar hem kwelde. Door zulke inzichten leert men veel over de onderlinge relatie tussen levenden en doden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte  Untersuchungen über  das  Leben zwischen  Tod  und  neuer  Geburt – Bergen, 10 oktober 1913 (bladzijde 333 -334)

debff4148ec03cc469474cd799654593

Een gewone sterveling ziet de gestorvenen niet

U allen, zo u hier zit, u verkeert voortdurend met de doden, alleen weten de mensen in het gewone leven het niet, omdat het zich in het onderbewuste voltrekt. Het helderziende bewustzijn tovert niets nieuws voor de dag; het brengt alleen in het bewustzijn naar boven wat er bestaat in de geestelijke wereld. U allen verkeert voortdurend met doden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der Tod als Lebenswandlung – Neurenberg, 10 februari 1918 (bladzijde 46)

Eerder geplaatst op 14 april 2015

Voedsel voor de doden

Waarvan een tijd (Duits: eine Zeitlang) na de dood de gestorvenen hun voeding halen (Duits: ziehen), dat zijn de voorstellingen, de gevoelens, de onbewuste gewaarwordingen en gevoelens, die de mensen hier op aarde in de slaap overdragen. Voor de doden is het een zeer groot verschil of ergens mensen slapen, die zich tijdens hun waakleven slechts vullen met louter materialistische gevoelens en ideeën en deze in de slaap overdragen en bij het inslapen doordrongen zijn van de nawerkingen van dit materialisme, of dat ergens mensen slapen, die zich tijdens het waken geheel en al doordrongen hebben met geestelijke voorstellingen en die ook gedurende de slaap nog ervan doordrongen zijn.

Als een dorre ondergrond die geen voedingsmiddelen bevat en waarop de mensen zouden moeten verhongeren, zich verhoudt tot een vruchtbaar gebied dat de mensen voedsel biedt, zo verhoudt zich voor de gestorvenen een groep van mensen die met een materialistische gezindheid slaapt, tot een groep van mensen die met spirituele ideeën slaapt.

Want uit het vervuld zijn van de zielen die hier op aarde slapen met geestelijke begrippen, krijgen de doden vooreerst vele jaren na de dood levenskracht, die vergelijkbaar is, alleen geestelijk, alleen in het geestelijke omgezet, met wat we als fysieke mensen uit de ons voeding gevende wezens van de onder ons staande natuurrijken krijgen. In letterlijke zin maken we ons tot een vruchtbare bodem voor de doden, als we ons vervullen met begrippen die voor ons van de geesteswetenschap komen. En we maken ons tot een dorre akker waardoor de doden verhongeren, als we ons tot slapers met materialistische ideeën en gezindheid maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 154 – Wie erwirbt man sich Verständnis für die geistige Welt? – Bazel, 5 mei 1914 (bladzijde 49-50)

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten

Er is voor de gestorvene met betrekking tot degenen die nog op aarde zijn geen bewusteloosheid: hij kan zijn handel en wandel (Duits: Tun) zelfs volgen. Aards-fysieke kleuren en vormen ziet de in het devachan zich bevindende natuurlijk niet, aangezien hij geen fysieke organen meer heeft in het devachan. Alles echter in de fysieke wereld heeft zijn geestelijk tegenbeeld in het geestgebied, en dat neemt de voorgegane overledene waar. Iedere handbeweging in de fysieke wereld, […], bewust of onbewust, iedere verandering aan de fysieke mensen heeft een geestelijk tegenbeeld, dat hij in het devachan waarnemen kan.

Het bestaan in het geestgebied is niet een soort van droom of slaap, maar het is zeer zeker een bewust leven. De mens ontvangt in het devachan de aanleg (Duits: Anlagen) en impulsen om met de geliefden in een nauw verband te blijven, om ze in een latere incarnatie weer op aarde te vinden. Dat is vaak de zin van de incarnatie op aarde om steeds intiemere banden aan te knopen. Het samenleven in het devachan is minstens even intiem als elk leven hier. Het meevoelen in het devachan is veel krachtiger, intiemer dan op de aarde; de smart beleeft u daar mee als uw eigen smart.

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten. Daar zou het ongeluk dat iemand een ander bereidt om zelf gelukkig te zijn, op hem terugstralen en men zou werkelijk niet ten koste van anderen gelukkig kunnen zijn. Dat is de vereffening die van het devachan uitgaat. De impuls om de broederlijkheid op de aarde te realiseren, brengt u van daaruit mee. Wat in het devachan een vanzelfsprekende wet is, dat moet op de aarde als een taak verwerkelijkt worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 109 –  Das Prinzip der spirituellen Ökonomie im Zusammenhang mit Wiederverkörperungsfragen – Boedapest, 7 juni 1909 (bladzijde 198-199)

Eerder geplaatst op 19 april 2015

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten

Er is voor de gestorvene met betrekking tot degenen die nog op aarde zijn geen bewusteloosheid: hij kan zijn handel en wandel (Duits: Tun) zelfs volgen. Aards-fysieke kleuren en vormen ziet de in het devachan zich bevindende natuurlijk niet, aangezien hij geen fysieke organen meer heeft in het devachan. Alles echter in de fysieke wereld heeft zijn geestelijk tegenbeeld in het geestgebied, en dat neemt de voorgegane overledene waar. Iedere handbeweging in de fysieke wereld, […], bewust of onbewust, iedere verandering aan de fysieke mensen heeft een geestelijk tegenbeeld, dat hij in het devachan waarnemen kan.

Het bestaan in het geestgebied is niet een soort van droom of slaap, maar het is zeer zeker een bewust leven. De mens ontvangt in het devachan de aanleg (Duits: Anlagen) en impulsen om met de geliefden in een nauw verband te blijven, om ze in een latere incarnatie weer op aarde te vinden. Dat is vaak de zin van de incarnatie op aarde om steeds intiemere banden aan te knopen. Het samenleven in het devachan is minstens even intiem als elk leven hier. Het meevoelen in het devachan is veel krachtiger, intiemer dan op de aarde; de smart beleeft u daar mee als uw eigen smart.

Op aarde is meer of minder persoonlijk geluk mogelijk op kosten van anderen, in het devachan is dat uitgesloten. Daar zou het ongeluk dat iemand een ander bereidt om zelf gelukkig te zijn, op hem terugstralen en men zou werkelijk niet ten koste van anderen gelukkig kunnen zijn. Dat is de vereffening die van het devachan uitgaat. De impuls om de broederlijkheid op de aarde te realiseren, brengt u van daaruit mee. Wat in het devachan een vanzelfsprekende wet is, dat moet op de aarde als een taak verwerkelijkt worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 109 –  Das Prinzip der spirituellen Ökonomie im Zusammenhang mit Wiederverkörperungsfragen – Boedapest, 7 juni 1909 (bladzijde 198-199)