Filisters zijn even nodig als kunstenaars

Het zou een slechte zaak zijn als er alleen maar mensen zouden zijn, die kunstenaar zijn, of als al diegenen die geloven dat ze als kunstenaar erkenning zouden moeten krijgen, werkelijk erkenning zouden krijgen. Ik zou wel willen weten wat er dan van het leven terecht zou moeten komen. Genialiteit is weliswaar noodzakelijk voor het leven, maar ook burgerlijkheid (Philistrosität) is noodzakelijk voor het leven. 

En zou er geen burgerlijkheid bestaan, dan zou er waarschijnlijk ook zeer spoedig geen genialiteit meer bestaan. De categorieën “goed” en “slecht” kan men niet zo zonder meer in het leven laten gelden, want het leven is veelvormig. Praten kan men veel, maar men zou eigenlijk over niets anders moeten praten dan wat aan het leven zelf ontleend is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 337b – Soziale Ideen/Soziale Wirklichkeit/Soziale Praxis – Dornach, 30 augustus 1920 (bladzijde 109)

Eerder geplaatst op 24 juli 2017  (3 reacties)

Geniale zwakzinnigheid

Hoe vreemd het ook klinkt, het is heel goed mogelijk dat iemand eigenschappen in zich heeft, waardoor men gedwongen is hem een achterlijke, een zwakzinnig mens te noemen, dat hij echter dingen laat zien, die geestrijk en geniaal zijn. Dat is heel goed mogelijk. Dat is mogelijk om de reden dat iemand door zijn zwakzinnigheid zeer gevoelig voor ingevingen (Duits: suggerierfähig) kan zijn, zeer gemakkelijk de mysterieuze invloeden van de omgeving in zich kan weerspiegelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 312 – Geisteswissenschaft und Medizin – Dornach, 2 april 1920 (bladzijde 258-259)

Eerder geplaatst op 1 oktober 2015 (1 reactie)

Over kinderen met slechte eigenschappen

Men heeft natuurlijk niet alleen voorbeeldige kinderen, maar ook kinderen die onder bepaalde omstandigheden, zoals men het beoordeelt, slechte eigenschappen in zich hebben, daarover zou ik het volgende willen opmerken. […] 

U moet wel bedenken dat een zogenaamd slechte eigenschap van een kind dat zich gevormd heeft, laten we zeggen tot het zevende jaar, niet altijd in absolute zin een slechte eigenschap is. Menig misschien zelfs tot aan genialiteit reikend vermogen op latere leeftijd voert geheel organisch terug naar een zogenaamd slechte eigenschap, die men had op twee-, drie-, vierjarige leeftijd. 

Een eigenschap, ik noem meteen een van de slechtste eigenschappen, de wreedheid die bij een kind kan voorkomen, deze wreedheid kan men inderdaad tussen het zevende en veertiende jaar in de ene of de andere richting overwinnen, als men daarvoor pedagogisch bekwaam genoeg is. De impulsen van de mens die in de wreedheid liggen, kunnen onder bepaalde omstandigheden zo omgebogen worden dat ze de aandrift tot iets van het allerbeste worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 307 – Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung – Ilkley (Yorkshire), 7 augustus 1923 (bladzijde 260)

 Eerder geplaatst op 28 september 2015  (1 reactie)

De leerling is soms wijzer dan de onderwijzer

Men heeft als onderwijzer de meest verschillende individualiteiten voor zich, en men moet niet met het gevoel in de klas staan: Zoals jij bent, zo moeten allen worden, die jij onderwijst of opvoedt. Dit gevoel mag men geheel niet hebben. Waarom niet? Nu, er zouden, als het geluk met ons is, onder de scholieren die men voor zich heeft, naast heel dommen, drie of vier kinderen met een geniale aanleg kunnen zijn. En u zult mij toch echt wel toegeven, dat men niet enkel genieën tot leraar maken kan en dat het zelfs niet zelden zal voorkomen, dat de leraar niet de genialiteit heeft, die eens degenen zullen hebben, die misschien door hem opgevoed en onderricht moeten worden. Maar de leraar moet niet alleen degenen die zo kunnen worden als hij, maar hij moet ook degenen opvoeden en onderwijzen, die met hun aanleg ver boven hem zouden kunnen uitgroeien. Dat zal men echter alleen kunnen, als men zich als leraar geheel en al afwent om de leerling te willen maken tot wat men zelf is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 20 april 1923 (bladzijde 130-131)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2014

Filisters zijn even nodig als kunstenaars

Het zou een slechte zaak zijn als er alleen maar mensen zouden zijn, die kunstenaar zijn, of als al diegenen die geloven dat ze als kunstenaar erkenning zouden moeten krijgen, werkelijk erkenning zouden krijgen. Ik zou wel willen weten wat er dan van het leven terecht zou moeten komen. Genialiteit is weliswaar noodzakelijk voor het leven, maar ook burgerlijkheid (Philistrosität) is noodzakelijk voor het leven.

En zou er geen burgerlijkheid bestaan, dan zou er waarschijnlijk ook zeer spoedig geen genialiteit meer bestaan. De categorieën “goed” en “slecht” kan men niet zo zonder meer in het leven laten gelden, want het leven is veelvormig. Praten kan men veel, maar men zou eigenlijk niet anders moeten praten dan over wat aan het leven zelf ontleend is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 337b – Soziale Ideen/Soziale Wirklichkeit/Soziale Praxis – Dornach, 30 augustus 1920 (bladzijde 109)

Eerder geplaatst op 7 september 2016